Ontmoeting met priesters en permanente diakens van het Bisdom Beieren
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Ontmoeting met priesters en permanente diakens van het Bisdom Beieren
Apostolische reis van Paus Benedictus XVI naar München, Altötting en Regensburg (9-14 september 2006).
In de kathedraal van de H. Maria en H. Corbinianus te Freising
Paus Benedictus XVI
14 september 2006
Pauselijke geschriften - Toespraken
2006, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
De paus heeft deze kortere versie uitgesproken.
Bron
De volledige geplande tekst
Alineanummering en -indeling: redactie
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
Bron
De volledige geplande tekst
Alineanummering en -indeling: redactie
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
14 september 2006
Dr. W.J.G.A. Veth pr.
31 augustus 2025
1300
nl
Referenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
- Inhoud
1
Beste vrienden, ik heb eigenlijk een lange preek meegenomen, maar ik wil die nu niet voorlezen. Men kan die immers ook gedrukt nalezen, als men dat wil. (Applaus)Dit is voor mij een moment van vreugde en van grote dankbaarheid – dankbaarheid voor alles wat ik tijdens dit pastoraal bezoek aan Beieren heb mogen beleven en ontvangen. Zoveel hartelijkheid, zoveel geloof, zoveel vreugde in God, dat het mij diep heeft geraakt en als bron van nieuwe kracht met mij meegaat. Dankbaarheid ook in het bijzonder daarvoor, dat ik nu aan het einde nog naar de dom van Freising mocht terugkeren en dat ik hem in zijn stralend vernieuwde gedaante mag zien. Dank aan kardinaal Wetter, dank aan de andere twee Beierse bisschoppen, dank echter ook aan allen die hebben meegewerkt, dank aan de Voorzienigheid die de renovatie van de dom mogelijk heeft gemaakt, die nu in deze nieuwe schoonheid voor ons staat! Nu ik in deze dom sta, komen er zoveel herinneringen in mij op, zeker ook omdat ik de oude medebroeders weer mag zien, en de jonge priesters die de boodschap, de fakkel van het geloof, verder dragen. Herinneringen komen boven – kardinaal Wetter heeft er zojuist al op gezinspeeld – aan het moment waarop ik hier bij de priesterwijding uitgestrekt op de grond lag en, als het ware omhuld door de litanie van alle heiligen, door het gebed van alle heiligen, wist dat wij op deze weg niet alleen zijn, maar dat de grote schare van heiligen met ons meetrekt en dat de levende heiligen, de gelovigen van vandaag en van morgen, ons dragen en begeleiden. Dan het ogenblik van de handoplegging… en tenslotte, toen kardinaal Faulhaber ons het woord van Jezus toeriep: “Iam non dico vos servos, sed amicos” – “Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden” – (Joh. 15,15)[[b:Joh. 15,15]], heb ik de priesterwijding ervaren als inwijding in de gemeenschap van de vrienden van Jezus, die geroepen zijn om met Hem te zijn en Zijn boodschap te verkondigen.
Beste medebroeders in de bisschoppelijke en priesterlijke dienst, beste broeders en zusters!
Referenties naar alinea 1: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
2
Dan komt ook de herinnering op dat ik hier zelf priesters en diakens heb mogen wijden, die nu in dienst van het Evangelie staan en de Boodschap door vele jaren heen – en inmiddels zijn het al decennia! – hebben doorgegeven en nog steeds doorgeven. En dan denk ik natuurlijk aan de Corbinianus-processies. Destijds was het nog zo dat men de schrijn opende. En omdat de bisschop achter de schrijn stond, kon ik rechtstreeks kijken naar de schedel van de heilige Corbinianus en mijzelf zien in de processie van de eeuwen, die de weg van het geloof gaat – zien dat wij in deze grote “processie van alle tijden” mogen meetrekken en haar voortzetten in de toekomst. Dat werd heel tastbaar wanneer de weg door de kruisgang voerde en langs de vele daar verzamelde kinderen, aan wie ik het zegenskruis mocht tekenen. In dat ogenblik voelen wij opnieuw dat wij deel uitmaken van de grote processie, van de pelgrimstocht van het Evangelie, dat wij tegelijk pelgrims en pelgrimsleiders mogen zijn, dat wij volgen in de voetstappen van hen die Christus zijn gevolgd, met hen samen Hemzelf navolgen en zo binnengaan in het Licht.
Referenties naar alinea 2: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
3
Nu moet ik tot de eigenlijke preek komen, en ik wil daarbij slechts op twee punten nader ingaan. Het eerste betreft het zojuist verkondigde Evangelie (Mt. 5,35-38)[b:Mt. 5,35-38], dat wij allen zo vaak hebben gehoord, uitgelegd en in ons hart overwogen. “De oogst is groot,” zegt de Heer. En wanneer Hij zegt: “...is groot,” dan bedoelt Hij dat niet alleen voor dat ogenblik en voor de wegen van Palestina, waarover Hij tijdens zijn aardse leven trok, maar dan geldt dat ook voor vandaag. Dat wil zeggen: in de harten van de mensen groeit oogst. Dat wil zeggen nog eens: in hen is het wachten op God aanwezig. Het wachten op een aanwijzing die licht is, die de weg wijst. Het wachten op een Woord dat meer is dan een woord. Het hopen, het wachten op de Liefde die ons verder draagt dan het ogenblik, die ons eeuwig draagt en ontvangt. De oogst is groot en wacht in alle generaties op arbeiders. En op verschillende wijzen geldt in alle generaties ook steeds weer dat andere woord: “Maar arbeiders zijn er weinig.”
Referenties naar alinea 3: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
4
“Vraagt de Heer van de oogst dat Hij arbeiders zendt!” Dat betekent: de oogst is er, maar God wil zich van mensen bedienen, opdat zij wordt binnengehaald. God heeft mensen nodig. Hij heeft mensen nodig die zeggen: Ja, ik ben bereid jouw arbeider in de oogst te worden, ik ben bereid te helpen dat deze oogst, die in de mensen rijpt, werkelijk binnengebracht wordt in de schuren van de eeuwigheid en deel kan worden van Gods eeuwige gemeenschap van vreugde en liefde. “Vraagt de Heer van de oogst!” Dat wil ook zeggen: wij kunnen roepingen niet zomaar “maken”, zij moeten van God komen. Wij kunnen niet, zoals misschien in andere beroepen, door gericht management, door middel van de juiste strategieën als het ware eenvoudigweg mensen rekruteren. De roeping moet altijd de weg gaan van het hart van God naar het hart van de mens. En toch: juist om in het hart van de mens te kunnen aankomen, is ook onze medewerking vereist. De Heer van de oogst daarom vragen betekent zeker allereerst dat wij bidden, dat wij op zijn hart kloppen en zeggen: “Doe het toch! Maak de mensen wakker! Ontsteek in hen het vuur voor het Evangelie en de vreugde eraan! Laat hen erkennen dat het de schat is boven alle schatten en dat wie hem ontdekt heeft, hem moet doorgeven!”
Referenties naar alinea 4: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
5
Wij kloppen aan het hart van God. Maar God vragen gebeurt niet alleen in woorden van gebed, maar juist daarin dat uit woord daad wordt, dat uit ons biddend hart de vonk overspringt van de vreugde in God, de vreugde in het Evangelie, de bereidheid om “ja” te zeggen, naar de harten van anderen. Als biddende mensen, als vervuld van zijn licht, treden wij anderen tegemoet, nemen wij hen op in ons gebed en zo in de aanwezigheid van God, die dan zijn werk doet. In die zin willen wij steeds opnieuw de Heer van de oogst vragen, aan zijn hart kloppen en tegelijk in ons gebed ook de harten van de mensen aanraken, opdat God daarin naar zijn wil het “ja” laat rijpen, de bereidheid; en vervolgens de standvastigheid, om door alle verwarring van de tijd heen, door de hitte van de dag en ook door de duisternis van de nacht trouw in zijn dienst te blijven en telkens weer van Hem te leren herkennen – ook wanneer het zwaar valt – dat deze moeite mooi is, dat zij zinvol is, omdat zij bijdraagt aan het wezenlijke: dat de mensen ontvangen waarop zij kunnen bouwen: Gods licht en Gods liefde.
Referenties naar alinea 5: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
6
Het tweede punt dat ik wil behandelen, is een heel praktische vraag. Het aantal priesters is kleiner geworden, ook al mogen wij op dit moment zien dat wij er werkelijk zijn, dat er ook vandaag jonge en oudere priesters aanwezig zijn, en dat er jonge mensen zijn die zich op weg begeven naar het priesterschap. Maar de lasten zijn zwaarder geworden: twee, drie, vier parochies tegelijk verzorgen, en dat samen met al die nieuwe taken die erbij zijn gekomen, dat kan ontmoedigend zijn. Steeds opnieuw wordt mij de vraag gesteld, en ieder stelt ze zichzelf, stelt ze zijn medebroeders: Hoe moeten wij dat doen? Is dit niet een roeping waarin wij opgebrand raken, waarin wij uiteindelijk geen vreugde meer kunnen hebben, omdat wij zien dat het rondom ons nooit genoeg is, wat wij ook doen? Dit alles overvraagt ons!
Referenties naar alinea 6: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
7
Wat moeten we daarop zeggen? Welnu, ik kan natuurlijk geen kant-en-klare recepten geven, maar ik wil toch een paar grondregels aanreiken. De eerste neem ik uit de Brief aan de Filippenzen (Fil. 2,5-8)[[b:Fil. 2,5-8]], waar de heilige Paulus tot allen – en natuurlijk in het bijzonder tot hen die op Gods akker werken – zegt dat wij “de gezindheid van Christus Jezus” moeten hebben. Zijn gezindheid was dat Hij het, geconfronteerd met het menselijk lot, in zijn heerlijkheid als het ware niet meer uithield, maar moest neerdalen en het ongelooflijke, de hele armoede van een mensenleven, op zich moest nemen tot in het uur van het lijden aan het kruis. Dat is de gezindheid van Christus Jezus: zich gedrongen voelen om de mensen het licht van de Vader te brengen, hun te helpen opdat het Rijk Gods uit hen en in hen gestalte zou krijgen. En de gezindheid van Christus Jezus is tegelijk dat Hij altijd diep geworteld en verankerd is in de gemeenschap met de Vader. Wij zien het als het ware uiterlijk daaraan, dat de evangelisten ons steeds opnieuw vertellen dat Hij zich terugtrekt op de berg, Hij alleen, om te bidden. Zijn handelen vloeit voort uit dit verzonken-zijn in de Vader: juist dit verzonken-zijn in de Vader betekent dat Hij eropuit moet gaan en door alle dorpen en steden trekken, om Gods Rijk te verkondigen – dat wil zeggen: zijn aanwezigheid, zijn “erbij-zijn” midden onder ons – zodat dit in ons werkelijkheid wordt en door ons de wereld verandert, opdat zijn wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op aarde, en de hemel op aarde komt. Deze twee aspecten behoren tot de gezindheid van Christus Jezus: enerzijds God van binnenuit kennen, Christus van binnenuit kennen, met Hem verenigd zijn. Alleen als dat gegeven is, ontdekken wij werkelijk de “schat”. En dan moeten wij anderzijds ook naar de mensen gaan, dan kunnen wij Hem niet voor onszelf houden, maar moeten Hem doorgeven.
Referenties naar alinea 7: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
8
Deze grondregel van de gezindheid van Christus Jezus met haar twee kanten zou ik vervolgens opnieuw in het praktische willen toepassen en zeggen: er moet een samengaan zijn van ijver en nederigheid, dat wil zeggen van het erkennen van de eigen grenzen. Enerzijds de ijver: als wij Christus werkelijk steeds opnieuw ontmoeten, kunnen wij Hem niet voor onszelf houden. Dan dringt het ons om naar de armen te gaan, naar de ouderen, naar de zwakken en evengoed ook naar de kinderen en de jongeren, naar de mensen midden in hun leven; dan dringt het ons om “evangelisten”, apostelen van Jezus Christus te zijn. Maar deze ijver, opdat hij niet leeg wordt en ons niet kapotmaakt, moet samengaan met nederigheid, met bescheidenheid, met het aanvaarden van onze grenzen. Zoveel zou gedaan moeten worden – ik zie dat ik het niet kan. Dat geldt voor pastoors – ik vermoed althans hoe zeer – dat geldt ook voor de paus; die zou zoveel moeten doen! En mijn krachten schieten daar eenvoudig voor tekort. Daarom moet ik leren te doen wat ik kan, en het andere aan God en aan medewerkers overlaten en zeggen: “Uiteindelijk moet U het immers doen, want de Kerk is Uw Kerk. En U geeft mij slechts zoveel kracht als ik heb. Die zij U geschonken, want zij komt van U, maar het andere laat ik eenvoudig aan U over.” Ik geloof dat juist deze nederigheid, dit aanvaarden – “Hier houdt mijn kracht op, ik laat het aan U, Heer, dat U het andere doet” – beslissend is. En dan ook dit vertrouwen: Hij zal mij medewerkers schenken die verder helpen en doen wat ik niet kan.
Referenties naar alinea 8: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
9
En nog eens, op een derde niveau “vertaald”, betekent dit samengaan van ijver en bescheidenheid dan ook het samengaan van dienst in al zijn dimensies en van innerlijkheid. Wij kunnen de ander alleen dienen, wij kunnen alleen geven, wanneer wij zelf ook ontvangen, wanneer wijzelf niet leeg worden. En daarom geeft de Kerk ons als het ware de vrije ruimten aan, die enerzijds plaatsen zijn van dit nieuwe innerlijke “in- en uitademen” en anderzijds tegelijk middelpunt en bron van het dienen. Daar is allereerst de dagelijkse viering van de Heilige Mis: voltrekken wij die niet als iets dat nu eenmaal “aan de beurt is” en dat ik nu eenmaal “moet doen”, maar vieren wij haar van binnenuit! Geven wij ons over aan de woorden, aan de handelingen, aan het gebeuren dat daar werkelijkheid is! Wanneer wij de Mis biddend vieren, wanneer wij dit “Dit is mijn Lichaam” werkelijk uit de gemeenschap met Jezus Christus uitspreken, die ons de handen opgelegd heeft en ons gemachtigd heeft om met dit zijn Ik te spreken, wanneer wij gelovig en biddend van binnenuit Eucharistie vieren, dan is zij geen uiterlijke plicht. Dan is de ars celebrandi vanzelf aanwezig, die er juist in bestaat het vanuit de Heer, met Hem en zo echt voor de mensen te doen. Dan worden wijzelf daarbij steeds opnieuw begiftigd en verrijkt, en geven wij tegelijk datgene door wat meer is dan ons eigen bezit, namelijk de aanwezigheid van de Heer, aan de mensen.
Referenties naar alinea 9: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
10
De andere vrije ruimte, die de Kerk ons als het ware oplegt en ons daarmee ook bevrijdend voorhoudt, is het getijdengebed. Laten wij proberen het werkelijk mee te bidden: mee te bidden met Israël van het Oude en het Nieuwe Verbond, mee te bidden met de bidders van alle eeuwen, mee te bidden met Jezus Christus als het diepste Ik, het diepste subject van deze gebeden. En terwijl wij zo bidden, nemen wij ook de andere mensen mee in dit gebed – zij die er geen tijd of kracht of mogelijkheid voor hebben. Wijzelf bidden als gelovigen plaatsvervangend voor de anderen en vervullen zo een pastorale dienst van de eerste orde. Dit is geen terugtrekken in het private, maar dit is een pastorale prioriteit; dit is een herderlijk handelen waarin wijzelf opnieuw priester worden, opnieuw door Christus worden vervuld, de anderen opnemen in de biddende Kerk en tegelijk de kracht van het gebed, de aanwezigheid van Jezus Christus, laten instromen in deze wereld.
Referenties naar alinea 10: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
11
Het motto van deze dagen luidde: “Wie gelooft, staat nooit alleen.”[d:143] Dit woord geldt en moet juist ook voor ons priesters gelden, voor ieder van ons. En opnieuw is het in dubbele zin waar: wie priester is, staat nooit alleen, want Jezus Christus is altijd bij hem. Hij is bij ons – laten ook wij bij Hem zijn! Maar het moet ook in de andere zin gelden: wie priester wordt, wordt opgenomen in een presbyterium, in een gemeenschap van priesters met de bisschop. En hij is priester in het samenzijn met zijn medebroeders. Laten wij ons daarom inspannen dat dit niet alleen een theologische en juridische bepaling blijft, maar dat het voor ieder van ons ook werkelijk ervaarbaar wordt. Laten wij elkaar dit samenzijn schenken, juist aan hen van wie wij weten dat zij onder eenzaamheid lijden, dat vragen en zorgen op hen afkomen, misschien twijfel en onzekerheid! Laten wij elkaar dit samenzijn schenken – dan zullen wij juist in dit samenzijn met de ander, met de anderen, des te meer en des te vreugdevoller steeds opnieuw ook het samenzijn met Jezus Christus ervaren. Amen.
Referenties naar alinea 11: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediahttps://beta.rkdocumenten.nl/toondocument/1300-priesters-en-diakens-van-het-bisdom-beieren-nl