Quas Primas

x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:

Informatie over dit document

Quas Primas
Over het feest van Christus Koning
Christus, Koning van het Heelal
Paus Pius XI
11 december 1925
Pauselijke geschriften - Encyclieken
1940, Ecclesia Docens nr. 119, Gooi & Sticht, Hilversum
Vert. uit het Latijn; tussentitels: redactie Ecclesia Docens
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
1940
G.M. Versteegen C.ss.R.
22 november 2024
700
nl
Toon meer

Referenties naar dit document: 6

Open uitgebreid overzicht

Referenties naar dit document van thema's en berichten

Open uitgebreid overzicht

Extra opties voor dit document

Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social media

Referenties naar alinea 17: 0

Geen referenties naar deze alinea

Extra opties voor deze alinea

Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
- Paragraaf 2 Bewijzen uit de boeken van het Nieuwe Testament
16
Ligt dus deze leer over Christus' koningschap in de boeken van het Oude Testament bezegeld, zoals wij terloops hebben aangetoond, zij verdwijnt niet op de bladen van het Nieuwe Testament, integendeel: zij wordt er zelfs op grootse wijze en in schitterende bewoordingen verkondigd.

Referenties naar alinea 16: 0

Geen referenties naar deze alinea

Extra opties voor deze alinea

Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
17
Wij behoeven hiervoor nauwelijks meer aan te halen de boodschap van de aartsengel, van wie de heilige Maagd verneemt, dat zij een Zoon zal baren, aan wie „God de Heer de zetel van Zijn vader David zal geven en die over het huis van Jacob zal heersen in eeuwigheid en wiens rijk geen einde zal hebben.” (Lc. 1, 32-33)[b:Lc. 1, 32-33] Christus zelf immers legt getuigenis af van Zijn vorstenmacht: want zowel toen Hij in Zijn laatste rede tot het volk sprak over het loon dat de rechtvaardigen zullen verwerven en de straffen die de schuldigen zullen ondergaan, alsook toen Hij de Romeinse landvoogd te woord stond, die Hem officieel ondervroeg of Hij koning was, en ook toen Hij na Zijn verrijzenis aan de apostelen de taak opdroeg om alle volkeren te onderwijzen en te dopen: bij iedere voorkomende gelegenheid kende Hij Zichzelf de titel van koning toe 1[[b:Mt. 25, 31-40]] en verzekerde Hij openlijk, dat Hij koning was 2[[b:Joh. 18, 37]] en verkondigde Hij plechtig, dat aan Hem „alle macht was gegeven in de hemel en op de aarde”; (Mt. 28, 18)[b:Mt. 28, 18] woorden waardoor ongetwijfeld niets anders wordt uitgedrukt, dan de grote omvang van Zijn macht en de onbegrensdheid van Zijn koninkrijk. Kan het ons dus verwonderen, als Hij, die Johannes noemt: „Opperste onder de koningen der aarde”, (Openb. 1, 5)[b:Openb. 1, 5] tevens op Zijn kleed en op Zijn heup het opschrift draagt: „Koning der koningen en Heer der heren”, (Openb. 19,16)[b:Openb. 19,16] zoals aan deze apostel in dat bekende profetische visioen vertoond werd? Immers God de Vader heeft Christus „gesteld tot erfgenaam van al Zijn bezit(Hebr. 1, 1)[b:Hebr. 1, 1] en „Hij moet Zijn koningschap uitoefenen tot Hij” - bij het vergaan van de wereld - „Al Zijn vijanden aan de voeten van God de Vader zal neerleggen.” (1 Kor. 15, 25)[b:1 Kor. 15, 25]

Referenties naar alinea 17: 0

Geen referenties naar deze alinea

Extra opties voor deze alinea

Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media