De Virginibus
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
De Virginibus
Ambrosius van Milaan
397
Kerkelijke schrijvers - Boeken
1942, N.V. de R.K. Boekcentrale, Amsterdam / Getuigen, reeks geschriften uit het christelijk verleden en heden - tweede reeks deel I, St. Ambrosius over de maagden
Uit het Latijn vertaald en ingeleid
Indeling tekst, cursivering, spellingswijze, aantekeningen: conform boekuitgave van de vertaling
Op basis van de editie van O. Faller S.J. in Florilegium Patristicum fasc. 31, 1933.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
Indeling tekst, cursivering, spellingswijze, aantekeningen: conform boekuitgave van de vertaling
Op basis van de editie van O. Faller S.J. in Florilegium Patristicum fasc. 31, 1933.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
2023
Prof. Dr. D. Franses o.f.m.
23 januari 2026
8884
nl
Referenties naar dit document: 9
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- EERSTE BOEK
- Hoofdstuk 1.
Als wij, naar het woord der hemelsche waarheid, (Mt. 12, 36)[[b:Mt. 12, 36]] van elk woord dat wij ijdel zullen hebben uitgesproken rekenschap hebben te geven, of als een ieder die de hem toevertrouwde talenten der geestelijke genade die hij als dienaar aan de wisselaars had moeten uitdeelen opdat zij door het aangroeien der renten zouden vermeerderd worden, in den grond zal hebben verstopt (Mt. 25, 24 e.v.)[[b:Mt. 25, 24]] als angstvallig woekeraar of als gierig bezitter, in geen geringe ongenade zal vallen bij den terugkeer van zijn heer, dan hebben wij, die weliswaar een zwak verstand maar toch de hoogste plicht hebben de ons toevertrouwde uitspraken Gods te doen vruchtdragen in de harten van het volk, te vreezen dat ook van ons woord woeker wordt gevorderd, vooral omdat de Heer toewijding van ons verlangt, geen succes. Daarom meenden wij iets te moeten schrijven, want ons gesproken woord is aan grooter gevaar van beschaming blootgesteld dan wanneer het geschreven wordt; een boek immers bloost niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn wel wantrouw ik mijn vaardigheid, maar door de voorbeelden der goddelijke barmhartigheid uitgelokt waag ik het, een toespraak te bedenken; toen God het immers wilde heeft zelfs een ezelin gesproken! Over Balaäm en zijn ezelin...Over Balaäm en zijn ezelin vgl. Num. 22. Als mij, gebukt onder den last dezer wereld, een Engel bijstaat, zal ook ik na lang zwijgen mijn mond openen. Hij toch kan de beletselen der onbedrevenheid wegnemen, Die in die ezelin het beletsel der natuur ophief. In de ark van het Oude Testament bloeide de staf van den Priester (Num. 17)[b:Num. 17]; voor God is het gemakkelijk, om in de Heilige Kerk ook uit onze knoppen een bloem te doen ontspruiten. Hoe zouden wij ook wanhopen, of God in menschen zal spreken, waar Hij gesproken heeft in doornstruiken? (Het brandende braambosch waarin God tot Mozes sprak, vgl. Exod. 3.)[[b:Ex. 3]] God heeft zelfs den doornstruik niet versmaad. Moge Hij dan ook mijn doornen verlichten! Er zullen er misschien zijn, die zelfs in onze struiken eenigen gloed zullen zien oplichten, er zullen er zijn, die onze doorn niet brandt, er zullen er zijn wien onze stem, uit het doornbosch vernomen, het schoeisel van de voeten losmaakt, opdat de voortgang van den geest worde ontdaan van lichamelijke beletselen. Maar dat verdienden heilige mannen. Mocht Jesus van eenige zijde neerzien op mij, die onder den nog steeds onvruchtbaren vijgeboom lig! (Joh. 1, 48)[b:Joh. 1, 48] Dan zou ook onze Vijgeboom na drie jaren vruchten dragen (Gelijkenis van den vijgeboom, Lc. 13, 7. Na drie volgens· hem onvruchtbare jaren brengt Ambrosius nu vruchten voort, Vgl. hieronder II, 6.)[[b:Lc. 13, 7]] Doch vanwaar nog zooveel hoop voor zondaren? Moge althans die verzorger van den wijngaard des Heeren uit het Evangelie, nadat hij misschien al bevel had hem om te houwen, onzen vijgeboom ook dit jaar nog laten staan. totdat hij er omheen graaft en er een mand mest om werpt. of hij misschien "den behoeftige opheft van de aarde en den arme opricht uit het slijk!" (Ps. 112, 7)[b:Ps. 112, 7] Zalig die hun paarden binden onder wijnstok en olijfboom (Gen. 49, 11)[b:Gen. 49, 11], terwijl zij de moeite van hun tochten wijden aan vrede en blijdschap; mij overschaduwt nog de vijgeboom, dat is de verlokkende kitteling van de geneugten der wereld, te gering van hoogte, te zwak tegenover de moeite, te week voor het gebruik, onvermogend om vrucht te dragen. Maar misschien zal iemand zich verwonderen waarom ik durf te schrijven terwijl ik niet spreken kan. En toch, als we ons herinneren wat we lezen in de evangelische geschriften en in de geschiedenis der Priesters en de heilige priester Zacharias ons tot getuige mag zijn (Lc. 1, 63 v.)[b:Lc. 1, 63], dan zal men vinden. dat er iets is wat de stem niet kan verklaren, maar de schrijfstift vastlegt. Als dan de naam van Johannes den vader de stem terugschonk, moet ook ik niet wanhopen, dat ik hoewel toch stom, de stem verkrijge als ik van Christus spreek. "Wie zal", naar het woord van den profeet, Zijn voortkomst verhalen?" (Jes. 53, 8)[b:Jes. 53, 8] En daarom zal ik als een dienaar de familie van mijn Heer verheerlijken; de onbevlekte Heer toch heeft Zich in dit lichaam vol modder van menschelijke zwakheid een vlekkelooze familie toegewijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 2.
En het treft goed, dat er, wijl het vandaag de verjaardag van een maagd is S. Agnes, 21 Jan. Ambrosius...S. Agnes, 21 Jan. Ambrosius is dus 21 Jan. 376 met dit werk begonnen. Het is zeer goed mogelijk dat hij dit hoofdstuk over Agnes dien dag als feestpreek heeft gehouden en vervolgens opgenomen in zijn boek. De meeste van zijn werken zijn geheel of gedeeltelijk uit preeken samengesteld., over maagden moet gesproken worden en het boek kan beginnen met een lofspraak.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media't Is de verjaardag van een Maagd, laten wij haar onschuld volgen! 't Is de verjaardag van een martelares, laten wij offers opdragen! 't Is de verjaardag van de heilige Agnes; dat mannen zich verwonderen, dat de kleinen niet wanhopen, de gehuwden zich verbazen, de ongehuwden haar navolgen! Maar wat kunnen wij zeggen, háár waardig, wier naam zelfs niet zonder glans van roem is? Een godsvrucht boven haar jaren, een kracht boven haar natuur, zoodat het mij toeschijnt, dat zij niet den naam van een mensch droeg. maar de voorzegging van den martelaar, waardoor zij aanduidde wat zij worden zou. Agnes of Agna is het...Agnes of Agna is het vrouwélijk lam. Haar naam ver. kondigde dus reeds, dat zij een offerlam zou worden en was tevens symbool van haar onschuld. Over haar marteldood en voorstelling in de kunst vgl. Kath. Encyclopaedie I. 13. Toch heb ik hier iets, wat mij te hulp komt: de naam van de maagd is getuige voor haar reinheid. Ga ik haar martelaar noemen, ik loof haar als maagd. Lang genoeg is de lofrede, waarnaar men niet behoeft te zoeken maar die voor de hand ligt. Weg dan met vernuftigheden, welsprekendheid zwijge, de naam alleen is een lofspraak. Hem mogen grijsaards zingen, zingen mogen hem jongeren, kinderen! Niemand is lofwaardiger dan wie door allen kan geprezen worden. Zooveel menschen er zijn, zoveel herauten, die den lof der martelares verkondigen, als ze haar maar noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVan haar wordt verhaald, dat zij, twaalf jaar oud, den marteldood onderging. Des te verfoeilijker wreedheid, die zelfs dien teederen leeftijd niet spaarde, groot daarentegen de kracht van het geloof, dat ook in dien leeftijd een getuige vond. Was er in dat lichaampje plaats voor een wond? En rij die geen plaats bood om het staal te ontvangen, had toch de kracht om het staal te overwinnen! Maar meisjes van dien leeftijd kunnen nog geen boos gezicht van de ouders verdragen en plegen te huilen om naaldenprikken als om wonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZij, onbevreesd voor de bloedige handen der beulen, onbeweeglijk bij het zwaar gesleep der knarsende kettingen, biedt nu. nog onbekend met den dood maar tot den dood bereid, heel haar lichaam aan het zwaard van den woedenden soldaat, of strekt, als zij tegen haar wil naar de altaren wordt gesleept, tusschen de vlammen de handen naar Christus uit en teekent temidden der heiligschennende haarden de trofee van den Overwinnaar Het heilig KruisteekenHet heilig Kruisteeken, dan weer legt zij hals en beide handen in de ijzeren boeien; maar geen boei kon zoo'n teedere leden omsluiten. Een nieuw soort martelie! Terwijl zij nog niet geschikt was voor de straf en toch reeds rijp voor de zegepraal, moeilijk kon strijden maar gemakkelijk gekroond kon worden, vervulde zij het leermeesterschap der deugd, schoon haar de leeftijd in den weg stond. Zoo zou geen bruid ter bruidskamer ijlen, zooals deze maagd met blijden tred, in snellen gang naar de folterplaats ging. niet met gevlochten hoofdhaar gesierd, maar met Christus, niet met bloemen getooid, maar door zeden. Allen weenen, zij blijft zonder tranen. De meesten verwonderen zich, dat zij haar leven zoo gemakkelijk afstaat, het wegschenkt als had zij het reeds ten volle genoten, terwijl zij het nog niet geproefd heeft. Allen verbazen zich. dat zij reeds een getuige voor de Godheid is, ofschoon zij om haar jeugd over zichzelf nog niet kan beschikken. Meerderjarig werd het meisje...Meerderjarig werd het meisje pas op 25-jarigen leeftijd. Tevoren had zij volgens romeinsch recht voor elke civiel rechtelijke handeling een curator noodig en ongehuwde meisjes bleven steeds onder de macht van den vader. Zij heeft bewerkt, dat men aan haar omtrent God zou gelooven, aan wie men omtrent een mensch nog geen geloof zou schenken. want wat boven de natuur uitgaat is van den Schepper der natuur. Met wat een woede ging de beul te werk om maar gevreesd te worden, met wat een vleierijen om te overreden! Hoevelen wenschten, dat zij hun tot bruid zou worden! Maar zij geeft ten antwoord: "Ook dat is een onrecht jegens den bruidegom, als hij moet wachten op die hem zou behagen. Hij, Die mij het eerst voor zich gekozen heeft, zal mij ontvangen. Wat talmt gij, beul? Dat dit lichaam verga, dat bemind kan worden met oogen, waardoor ik het niet wil!" Zij stond, zij bad, zij boog den hals. Men kon den beul zien beven als ware hijzelf de veroordeelde, zijn rechterhand zien trillen waarmee hij toe moest stooten, zijn gelaat zien verbleeken van vrees voor het gevaar dat een ander bedreigde, terwijl het meisje niet vreesde voor haar eigen gevaar. Daar hebt ge dan in één slachtoffer een dubbele martelie, voor zuiverheid en godsdienst: maagd is zij gebleven en zij verwierf de martelkroon!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 3.
De liefde tot de kuischheid en gij. vrome zuster, zij het zwijgend, door uwe stille zeden, nooden ons nu iets over de maagdelijkheid te zeggen, opdat zij, die toch een hoofddeugd is, niet zou schijnen als door een achteloos voorbijgaan verduisterd te zijn. Niet daarom toch is de maagdelijkheid lof waardig, omdat zij ook in martelaren wordt gevonden, maar omdat zij zelf martelaren maakt. Wie zou haar echter met zijn menschelijk verstand omvattten kunnen, daar zelfs de natuur haar niet met wetten heeft omsloten, of wie in natuurlijke woorden vatten, wat boven het bereik der natuur ligt? Uit den hemel heeft zij ontleend, wat zij zou navolgen op aarde. En niet ten onrechte heeft zij zich haar levenswijze in den hemel gezocht, daar zij een Bruidegom heeft gevonden in den hemel. Wolken, luchten, engelen en sterren voorbijstrevend, heeft zij het Woord Gods in den schoot zelven van den Vader gevonden en met heel haar hart in zich opgenomen. Wie toch zou zulk een goed laten varen, als hij het eens gevonden heeft? Immers: ,uitgegoten balsem is uw naam. Daarom hebben jonge meisjes U bemind en U tot zich getrokken" (Hoogl. 1, 2)[b:Hoogl. 1, 2]. Dat is tenslotte niet van mij, want: "die niet huwen, noch uitgehuwd worden, zullen wezen als de Engelen in den hemel" (Mt. 22, 30)[b:Mt. 22, 30]. Niemand verwondere zich dan, als zij met de Engelen worden vergeleken, die den Heer der Engelen huwen. Wie zou dan· ontkennen, dat dit leven uit den hemel is voortgevloeid, daar wij het niet licht op aarde vinden tenzij nadat God in deze ledematen van het aardsche lichaam is neergedaald? Toen ontving een maagd in haar schoot en is het Woord vleesch geworden, opdat het vleesch God zou worden. Men zal zeggen: maar ook van Elias vindt men, dat hij door geen enkele begeerte naar lichamelijken omgang verward is geweest. Daarom dan ook werd hij met een wagen naar den hemel ontrukt, daarom verschijnt hij met den Heer in de verheerlijking (op Tabor), daarom zal hij komen als voorlooper van de (tweede) komst des Heeren. ( 2 Kon. 2, 11; Mt. 17, 3)[b: 2 Kon. 2, 11; Mt. 17, 3] En Maria (De zuster van Mozes. na den doortocht door de Roode Zee, vgl. Exod. 15, 20.)[[b:Ex. 15,20]] nam. een belletrom en voerde in maagdelijken schroom den reidans. Maar gaat eens na, waarvan zij toen een voorafbeelding vormde. Was het niet van de Kerk, die als een maagd in onbevlekten geest de vrome scharen van het volk heeft vereenigd om goddelijke zangen te zingen? We lezen toch ook, dat er aan den tempel te Jeruzalem maagden waren verbonden 20). Maar wat zegt de Apostel? "Dat viel hun in voorafbeelding ten deel" (1 Kor. 10, 11)[b:1 Kor. 10, 11]. om een aanwijzing te zijn voor het toekomstige; de voorafbeelding geschiedt namelijk in weinigen, het leven openbaart zich in velen. Nadat echter de Heer in dit lichaam kwam en de samenwoning van de Godheid: en het lichaam tot stand bracht zonder eenige smet van onreine vereeniging. toen verspreidde zich alom over heel de wereld de praktijk van dat hemelsche leven in menschelijke lichamen. Dat is het toekomstige geslacht, dat de Engelen, die Hem op aarde dienden, verzinnebeeldden, dat n.l. voor den Heer dienstwerk zou verrichten door de toewijding van het onbevlekte lichaam. Dat is die hemelsche krijgsdienst. dien het leger der lofzingende Engelen op aarde beloofde. Zoo hebben we dan het getuigenis der Oudheid van eeuwen her, maar de volheid der beoefening (van de: maagdelijkheid) pas sinds Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 4.
Voorwaar. dit hebben wij niet gemeen met de heidenen, hierin volgen wij niet dezelfde volkszede als de barbaren, niet dezelfde gewoonte als de andere wezens. Ofschoon wij met hen een en denzelfden levensadem uit deze atmosfeer opvangen, de gewone gestalte van het aardsche lichaam deelen, noch ons van hen onderscheiden in de wijze van voortbrenging, in dit opzicht alleen wijzen wij de gelijkheid van natuur als een smaad af. dat de maagdelijkheid door de heidenen wordt voorgewend, maar na de gelofte geschonden, door de barbaren wordt aangerand, bij de overigen onbekend is. Wie zal mij de Vestaalsche maagden De Vestaalsche maagden, zes...De Vestaalsche maagden, zes in getal, moesten in den tempel van Vesta het eeuwig offervuur onderhouden. Als kind van 6 tot 10 jaar werden zij aan Vesta toegewijd en moesten dan 30 jaren lang den dienst verrichten, waarna zij vrij waren om te huwen. Zij stonden in hoog aanzien, genoten inkomsten en vrijdom van belasting. Dit werd juist in Ambrosius' dagen door den keizer afgeschaft en Ambrosius heeft die afschaffing krachtig verdedigd tegen de protesten van den heidenschen prefect Symmachus. en de priesters van het Palladium als lofwaardig voorhouden? Wat is dat voor een eerbaarheid, niet van zeden, maar van jaren, die niet voor eeuwig maar tot bepaalden leeftijd geldt! Te lichtzinniger is zoo'n ongereptheid, waarvan de schending tot hooger leeftijd wordt bewaard. Zij, die een eindtermijn voor de maagdelijkheid hebben gesteld, leeren daardoor zelf, dat hun maagden niet moeten en niet kunnen volharden. Maar wat is dat voor een godsdienst, waarin men de jonge meisjes beveelt kuisch te zijn, de oude vrouwen onkuisch? Zij echter, die door de wet eerhouden wordt, is (daarom nog) niet kuisch, noch zij onkuisch, die door de wet wordt vrijgelaten. O mysteries! O zeden! waar aan de kuischheid dwang wordt opgelegd en aan de wellust sanctie wordt verleend! Kuisch is dan ook niet, die door vrees wordt gedwongen, noch eerzaam die voor loon wordt gedongen, noch is dat eerbaarheid, die dagelijks blootgesteld aan den smaad van onbeheerschte oogen door zondige blikken wordt gestriemd. Er worden vrijdommen verleend, er worden inkomsten geboden, alsof dat niet het hoogste teeken van losbandigheid is: de kuischheid te verkoopen!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat voor geld beloofd wordt, wordt voor geld vrijgegeven, voor geld wordt toegezegd, voor geld opgenomen. Zij die de kuischheid pleegt te verkoopen kan ze echter niet terugkoopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat zal ik zeggen van de Phrygische mysteries De dienst van ,de groote...De dienst van ,de groote moeder der Goden" (Cybele) op den Palatijn. De priesters, eunuchen, waren berucht om hun ontucht., waarbij de ontucht eeredienst is en ware het slechts bij het zwakke geslacht! Wat van de orgieën van Bacchus, waar het mysterie van den godsdienst een prikkel tot wellust is? Wat kan dat voor een priesterlijk leven zijn, waar de ontucht der goden vereerd wordt? Dus kennen de heidensche mysteries geen maagd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZien we nu, of misschien de voorschriften der wijsbegeerte een of andere maagd hebben gevormd. Zij pleegt zich toch het onderwijs in alle deugden voor te behouden. Van één maagd Leaena zou zich de tong...Leaena zou zich de tong hebben afgebeten om de theensche samenzweerders Harmodius en Aristogeiton (514 v. Chr.), met wie zij bevriend was, niet te verraden., een leerlinge van Pythagoras wordt door de legenden met roem gewaagd, dat zij, toen zij door een tyran geprest werd om een geheim te openbaren, zich de tong afbeet en die den tyran in het aangezicht spuwde, opdat er niets aan haar zou zijn, waaraan zelfs door folteringen een bekentenis kon worden ontwrongen, zoodat hij, die niet ophield met ondervragen, niemand meer had die hij ondervragen kón. Maar diezelfde, moedig van hart doch zwanger van schoot, een voorbeeld van zwijgzaamheid en tegelijk kwistig met haar kuischheid, werd overwonnen door begeerten, zij, die door geen folteringen kon overwonnen worden. Zoo heeft zij, die het geheim van haar geest kon bedekken, de schaamte van haar lichaam niet bedekt. Zij overwon haar aard. maar verloor haar zelftucht. Hoezeer mocht zij wenschen, dat zij met haar woorden haar kuischheid kon verdedigen! Maar misschien had zij dat geduld aangeleerd, om haar schuld te kunnen ontkennen. Zij was derhalve niet alleszins overwonnen; want zelfs de tyran, al heeft hij dan niet kunnen vinden, wat hij navorschte, heeft toch gevonden, waar hij niet naar zocht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat zijn dan ónze maagden moediger, die ook die machten overwinnen, die zij niet zien, die niet slechts over vleesch en bloed, maar ook over den vorst der wereld zelf en den gebieder van den tijd triomfeeren! Agnes, in leeftijd inderdaad haar mindere, maar de meerdere in moed, rijker aan triom fen, met meer vertrouwen op haar standvastigheid, beet zich de tong niet af uit vrees, maar behield die als trofee. Zij toch had niets, waarvan zij moest vreezen dat het openbaar zou worden, daar het bij haar om geen schuldbekentenis ging maar om een geloofsbelijdenis. Zoo dan heeft gene slechts een geheim verborgen, maar deze heeft voor God getuigd, Dien haar natuur beleden heeft wijl haar leeftijd het nog niet kon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 5.
In lofreden pleegt men vaderland en ouders roemvol te vermelden, opdat door de herdenking van het geslachtshoofd de waardigheid van den afstammeling zou worden verhoogd; ofschoon ik nu geen lofrede op de maagdelijkheid ondernomen heb, maar een uiteenzetting daarover, acht ik het toch ter zake dienstig, dat naar voren kome welk haar vaderland was en van wien zij voortkwam. Laten wij dan eerst uitmaken, waar haar vaderland is. Wanneer toch dáár het vaderland is, waar het vaderhuis is gevestigd, dan is voorzeker de hemel het vaderland der kuischheid. Dus is zij hiér vreemdelinge, dáár inwoonster. Wat toch is de maagdelijke kuischheid anders dan ongereptheid vrij van besmetting? En wien anders kunnen wij als haar Schepper beschouwen dan den onbevlekten Zoon Gods, Wiens vleesch geen bederf heeft gezien, Wiens Godheid geen besmetting heeft ondergaan? Ziet dan, hoe groot de verdiensten der maagdelijkheid zijn. Christus was vóór de maagd, Christus uit de Maagd, uit den Vader weliswaar geboren voor de eeuwen, maar geboren uit de Maagd om de eeuwen. Het eerste behoorde tot Zijn Wezen. het tweede strekte tot ons heil. Dát was Hij steeds, dit heeft Hij gewild.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaBeschouwt nu een anderen titel tot roem van de maagdelijkheid: Christus is de Bruidegom van de maagd en, als men het zoo zeggen mag, Christus is Zelf van maagdelijke reinheid; want de maagdelijkheid behoort aan Christus, niet Christus aan de maagdelijkheid. Een Maagd is dus (de Kerk) die Hem huwde (Christus en de Kerk als Bruidegom en Bruid vindt men reeds bij S. Paulus Eph. 5, 25 vv. en 2 Cor. 11, 2. Waarschijnlijk steunt hier Ambrosius op den Hoogliedcommentaar van Origenes.)[[b:Ef. 5, 25; 2 Kor. 11, 2]], een maagd die ons in haar schoot droeg, een maagd die ons baarde, een maagd die ons met haar eigen melk voedde, van wie wij lezen: "Hoe groote dingen heeft de maagd Jerusalem gedaan! Aan de rots zullen geen borsten ontbreken noch sneeuw op den Libanon en het water, door machtigen wind bewogen, zal zijn loop niet missen" (Jer. 18, 13)[b:Jer. 18, 13]. Ambrosius gebruikt hier...Ambrosius gebruikt hier evenals elders de grieksche vertaling der LXX ( of een latijnsche vertaling daarvan). Dit verklaart het verschil van zijn teksten met die van de latijnsche Vulgaat en de nederlandsche vertalingen uit het hebreeuwsch. Wie is wel die maagd, die besproeid wordt door de bronnen der Drieëenheid, aan wie water toevloeit uit de rots, wier borsten niet zullen verdrogen, die vloeit van honing? De rots nu, is volgens den Apostel: Christus (1 Kor. 10, 4)[b:1 Kor. 10, 4]. Van Christus komen dus haar niet verdorrende borsten, haar helderheid van God, haar stroom van den Geest. Dat toch is de Drieëenheid, die Haar Kerk besproeit: de Vader, Christus en de Geest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar dalen wij nu af van de Moeder tot de dochters. "Omtrent de maagden, zegt de heilige Apostel, heb ik geen voorschrift des Heeren (1 Kor. 7, 25)[b:1 Kor. 7, 25]. Als de Leeraar der volkeren het niet had, wie kan het dan hebben? Hij had ook wel geen voorschrift, maar hij had het voorbeeld. De maagdelijkheid immers kan men niet bevelen, maar wel verlangen; want wat onze kracht teboven gaat is veeleer voorwerp van een wensch dan van een leering. "Maar ik wil, zegt hij, dat gij zonder zorg zijt. Want wie zonder echtgenoote is, is bezorgd omtrent de dingen des Heeren, hoe hij God kan behagen, en de maagd is bedacht op hetgeen des Heeren is, opdat zij heilig zij naar lichaam en geest. Zij toch, die gehuwd is, bedenkt wat van de wereld is, hoe zij haar man kan behagen (1 Kor. 7, 34)[b:1 Kor. 7, 34].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 6
Ik raad het huwelijk wel niet af, maar ik wijs bijzonder op het voordeel der maagdelijkheid. "Die zwak is, zegt hij, ete groenten" (Rom. 14, 2)[b:Rom. 14, 2]. Iets anders eisch ik, iets anders bewonder ik. "Zijt gij met een echtgenoote verbonden? Wil geen ontbinding zoeken. Zijt ge vrij van een vrouw? Wil u geen echtgenoote zoeken" (1 Kor. 7, 27)[b:1 Kor. 7, 27]. Dit is het voorschrift voor de gehuwden. Maar wat zegt hij aangaande de maagden? "En die zijn maagd in den echt verbindt doet goed, maar die haar niet verbindt doet beter" (1 Kor. 7, 38)[b:1 Kor. 7, 38]. Gene zondigt niet, als zij huwt; deze verwerft eeuwigen roem, als zij niet huwt. Daar heeft men het geneesmiddel voor de zwakheid, hier de roem der kuischheid. Gene wordt niet berispt, deze wordt geprezen. Vergelijken we, als ge wilt, de (tijdelijke) voordeden der gehuwde vrouwen met de minsten der maagden. Een nobele vrouw moge roemen op rijken kinderzegen, hoe meer zij er heeft' voortgebracht, des te meer zorgen heeft zij. Zij telle de vertroostingen, die zij van haar kinderen heeft, maar zij telle gelijkelijk de lasten. Zij huwt en zij weent. Wat zijn dat voor verlangens waarover men (achteraf) weent? Zij ontvangt en wordt zwanger. De vruchtbaarheid begint inderdaad eerder moeilijkheden mee te brengen dan vruchten. Zij baart en ligt ziek. Wat een lief onderpand, dat met gevaar begint en eindigt met gevaar! dat eer tot smart zal strekken dan tot genot, verworven wordt door gevaren en over welks bezit men niet vrij kan beschikken! Wat zal ik nog de moeilijkheden opsommen met de voeding, met het onderwijs, met het uithuwelijken? Dat zijn dan nog de gelukkigen, die zulke narigheden hebben. De moeder heeft nakomelingen, ja, maar zij vermeerdert haar smarten. Over de ongelukkige (huwelijken) kan men beter niet spreken, opdat de gemoederen zelfs der braafste ouders niet sidderen. Bedenk, mijne zuster, hoe erg het is, te moeten lijden, wat liever niet gehoord kan worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn dit heeft nu nog maar betrekking op den tegenwoordigen tijd. Er zullen echter dagen komen, waarop men zegt: Zalig de onvruchtbaren en de schooten, die niet hebben voortgebracht" (Lc. 23, 29)[b:Lc. 23, 29]. De kinderen dezer wereld toch worden voortgebracht en brengen voort, maar de dochter des Rijks onthoudt zich van het genot van den man en van het genot des vleesches, "opdat zij heilig zij van lichaam en geest" (1 Kor. 7, 34)[b:1 Kor. 7, 34]. Wat zal ik nog ophalen van de zware dienstbaarheid der vrouwen en de diensten die zij aan de mannen verschuldigd zijn, die vrouwen aan wie God bevolen heeft te dienen, nog vóór er dienstharen waren? Daar ga ik slechts zoover op in, opdat zij bereidwilliger gehoorzamen, die als zij braaf zijn het loon der lief de ontvangen, als zij het niet zijn, straf voor de misdaad. Daarvandaan kernen die aanlokselen der ondeugd, zoodat zij zelfs met uitgelezen kleuren haar gelaat beschilderen uit vrees van aan haar mannen te mishagen en van de vervalsching van het gelaat gaan haar gedachten naar vervalsching der kuischheid. Wat een dwaasheid, het natuurlijke beeld te veranderen en naar een geschilderd te zoeken en terwijl zij het oordeel van haar echtgenooten vreezen, haar eigen vonnis bekend te maken. Want zij veroordeelt het eerst zichzelve, die wil veranderen wat zij van geboorte heeft. Terwijl zij dus aan een ander tracht te behagen, mishaagt zij eerst zichzelve. Hoe kunnen wij een rechtvaardiger rechter over uw leelijkheid vinden, o vrouw, dan uzelve, die vreest gezien te worden (zooals gij zijt)? Als ge schoon zijt, waarom verschuilt gij u dan? Als ge leelijk zijt, waarom doet gij u dan op bedrieglijke wijze als schoon voor, terwijl ge daardoor noch de goedkeuring van uw geweten noch van den misleiden andere zult verwerven. Want hij bemint een andere en gij wilt aan een ander behagen. En gij wordt boos als hij een andere bemint, terwijl hij toch van u de echtbreuk leert? Gij zijt een slechte leerares van het onrecht, dat ge zelf ondergaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZelfs zij, die zich met een verleider heeft afgegeven, weerhoudt zich van verleiden en hoewel een veile vrouw maakt zij zich niet aan vreemde maar alleen aan eigen zonde schuldig en bij dat overspel zijn de misdrijven haast nog eerder te verdragen, want dáár wordt de eerbaarheid, hiér de natuur zelve te schande gemaakt. Hoeveel moet het niet kosten, opdat zelfs een mooie vrouw niet mishage! Hier hangen kostbare sieraden van den hals omlaag, daar sleept een met goud geborduurd kleed langs den grond. Bezit men dan die schoonheid of wordt ze gekocht? Ja, worden er niet verscheidene verleidelijke reukwerken aangewend, worden niet de ooren beladen met edelgesteenten, wordt aan de oogen niet een andere kleur ingegoten? Wat; blijft er daar van haar zelve over, waar zooveel veranderd wordt? Zoo' n vrouw verliest haar eigen zintuigen en dan meent zij nog te kunnen leven?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaGij echter, gelukkige maagden, die dergerlijke veeleer folteringen dan versieringen niet kent, wien het heilig schaamtegevoel om het eerbaar gelaat vloeit en vrome kuischheid tot sieraad strekt, gij zijt, niet blootgesteld aan de blikken der menschen, vrij van die afdwaling, slechts op uw eigen verdiensten bedacht. Ook gij hebt weliswaar uwen dienst der schoonheid, maar daarin dient de schoonheid der deugd, niet van het lichaam, (een schoonheid) die geen leeftijd ontluistert, die geen dood kan rooven, geen ziekte schenden. God a1leen wordt daar gevraagd als beoordeelaar der schoonheid. Hij, Die ook in een minder mooi lichaam de schoonere zielen bemint. Daar kent men den last van den schoot niet. noch barensweeën, en toch, des te talrijker is het kroost van de vrome ziel, die allen als haar kinderen beschouwt. Vruchtbaar in nakomelingen, maar vrij van kinderverlies, kent zij geen begrafenissen maar wel erfgenamen. Zoo is de Heilige Kerk, onbevlekt van omgang doch vruchtbaar in baring, maagd door haar kuischheid, moeder door haar kroost. Ons baart dus een maagd, niet van een man vervuld maar van den H. Geest. Ons baart een maagd, niet met pijn in de lichaamsdeelen maar onder gejubel der Engelen. Ons voedt een maagd, niet met de melk van het lichaam maar van den Apostel (ik gaf u melk te drinken, geen vaste spijs.)[[b:1 Kor. 3, 2]], waarmede hij den nog teederen leeftijd van het groeiend volk heeft gevoed. Welke gehuwde vrouw heeft dan meer kinderen dan de Heilige Kerk, die maagd is in haar Sacramenten, moeder voor de volkeren, wier vruchtbaarheid ook de H. Schrift getuigt, waar zij zegt: ,want er zijn meer zonen van de verlatene dan van haar die een man heeft"? (Jes. 54, 1)[b:Jes. 54, 1] (Gal. 4, 27)[[b:Gal. 4, 27]] De onze heeft geen man maar zij heeft wel een Bruidegom, daardoor dat de Kerk onder de volkeren ofwel de ziel in ieder afzonderlijk, zonder de minste bevlekking der reinheid, de· bruid wordt van Gods Woord als van een eeuungen Bruidegom, door geen onrecht beroerd maat door wijsheid bevrucht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 7.
Ge hebt gehoord. ouders, in welke deugden gij uwe dochters moet onderrichten, in welke tucht opvoeden, opdat gij (zulke kinderen) moogt hebben door wier verdiensten uwe zonden worden afgekocht. De maagd is een gave van God, een geschenk der ouders. een priesterschap der kuischheid. De maagd is een offerande voor de moeder; door haar dagelijksch offer wordt de goddelijke macht verzoend. De maagd is het onscheidbaar pand der ouders; zij vraagt geen zorg voor huwelijksgift, zij verlaat hen niet door verhuizing. zij beleedigt hen niet door onrecht. Maar misschien wenscht iemand kleinkinderen te hebben en zich den naam van grootvader te verwerven. Vooreerst geeft hij dan de zijnen weg, terwijl hij om anderen vraagt, vervolgens begint hij benadeeld te worden in zéker bezit. terwijl hij op het ónzekere hoopt. Van zijn eigen rijkdom draagt hij bij en er wordt nog meer gevraagd; als hij de huwelijksgift niet uitbetaalt, wordt die opgeëischt, als hij lang leeft wordt hij tot last. Dat is geen verwerven van een schoonzoon maar koopen, als men den aanblik van zijn dochter aan diens ouders verkoopt. Werd zij daarom zooveel maanden in den schoot gedragen, om in de macht van anderen over te gaan? Neemt men daartoe de zorg op zich om de dochter aanbevelenswaardig te maken, opdat zij te sneller aan de ouders worde ontnomen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNu zal men zeggen: u raadt dus het huwelijk af? integendeel. ik raad het aan en veroordeel hen, die het plachten af te raden De ManichaeënDe Manichaeën. Ik pleeg immers de huwelijken van Sara en Rebecca en Rachel en andere vrouwen der Oudheid aan te halen als evenzooveel voorbeelden van elke deugd! Wie toch het huwelijksgebruik veroordeelt, veroordeelt ook de kinderen en veroordeelt de gemeenschap van het menschelijk geslacht, dat langs een rij van opvolgingen wordt voortgeplant. Hoe zouden immers de geslachten elkaar de eeuwen door kunnen opvolgen, als niet de lust in het huwelijk den ijver prikkelde om kroost te verwekken? Of hoe kan men prediken, dat de onschuldige Isaäc opging tot het altaar Gods als offer der gehoorzaamheid van zijn vader, dat Israël. ofschoon nog in het menschelijk lichaam, God gezien heeft en zijn heiligen naam gaf aan het volk, terwijl hij hun oorsprong veroordeelt? Eén ding voorwaar hebben die, zij het ook goddelooze, menschen, wat ook de meest wijzen in hen kunnen goedkeuren, dat zij n.l. door de huwelijken te veroordeelen erkennen, dat zijzelf niet geboren hadden moeten worden. Ik raad dus het huwelijk niet af, als ik de voordeelen der geheiligde maagdelijkheid opsom. Dit laatste is immers de roeping van weinigen, het andere van de algemeenheid. Er kan trouwens geen maagdelijkheid zijn, als zij niet datgene heeft waaruit zij kan geboren worden. Ik vergelijk het eene goed met het andere, opdat daardoor te gemakkelijker blijke, wat. de voorkeur verdient. En ik breng ook maar niet een persoonlijke meening van mijzelf naar voren, maar ik herhaal wat de Heilige Geest door den Profeet heeft verkondigd, toen Hij sprak: .,Beter is onvruchtbaarheid met deugd" (Wijsh. 4, 1)[b:Wijsh. 4, 1] Wederom volgens de LXX. De...Wederom volgens de LXX. De Vulgaat heeft hier den bekenden tekst: ~Hoe schoon is een kuisch geslacht". Vooreerst toch: daarin dat de toekomstige bruiden bovenal verlangen groot te gaan op de schoonheid van den bruidegom, moeten zij zich noodzakelijk de minderen erkennen van de godgewijde maagden, "wien alléén het te beurt valt te kunnen zeggen: De schoonste zijt gij onder de zonen der menschen, bevalligheid ligt over uw lippen verspreid" (Ps. 44, 3)[b:Ps. 44, 3]. Wie is die bruidegom? Niet iemand, die opgaat in alledaagsche beslommeringen, die trotsch gaat op wankelen rijkdom, maar "Wiens troon in eeuwigheid vaststaat. "Dochters van koningen vormen Zijn eerestoet. Aan Zijn rechterhand staat de Koningin, in een gewaad met goud geborduurd, omkleed met bontheid van deugden. Luister dan, mijne dochter, en zie en neig uw oor en vergeet uw volk en uw vaderlijk huis, want de Koning heeft uwe schoonheid begeerd, wijl Hij uw God is" (Ps. 44, 7.10)[b:Ps. 44, 7.10]. En beschouw wat de Heilige Geest u allemaal volgens getuigenis der goddelijke Schrift heeft verleend: een koninkrijk, goud en schoonheid; een koninkrijk, hetzij omdat gij de bruid zijt van den eeuwigen Koning, ofwel omdat gij, onverwinlijk van geest, u niet aan de verlokkingen der lusten gevangen geeft, maar heerscht als koningin; goud, want evenals die stof door het vuur beproefd nog kostbaarder is, zoo verkrijgt de vorm van het maagdelijk lichaam, geheiligd door den goddelijken Geest, nog vermeerdering van schoonheid. Schoonheid echter, wie kan er een schoonheid hooger achten dan die van haar, die wordt bemind door den Koning, gekeurd door den Rechter, gewijd door den Heer. geheiligd door God, altijd bruid, altijd ongehuwd, zoodat er voor de liefde geen einde is noch schade voor de kuischheid? Dat. ja dat is inderdaad de ware schoonheid, waar niets aan ontbreekt, die alleen verdient van den Heer te vernemen: "Geheel schoon zijt gij, mijne zuster, en niets berispelijks is er in U. Kom hierheen van den Libanon, mijne bruid, kom hierheen van den Libanon; van het begin des geloofs Geheel ten onrechte hebben de...Geheel ten onrechte hebben de LXX den hebreeuwschen eigennaam van het gebergte vertaald. Er moest staan: van en top van Amana., van den kruin van Sanir en Hermon, van de holen der leeuwen, van de bergen der panters zult gij uitgaan en teneinde voortgaan" (Hoogl. 4, 7 v.)[b:Hoogl. 4, 7]. In deze trekken openbaart zich de volmaakte en ongerepte schoonheid der maagdelijke ziel. die, gewijd op de goddelijke altaren, temidden der aanvallen en lagen van de geestelijke wilde dieren in zedelijk opzicht onberoerd bleef en geheel verdiept in de geheimenissen Gods den Beminde waardig is geworden, wier borsten vol blijdschap zijn, "want de wijn verblijdt het hart des menschen (Ps. 103, 15)[b:Ps. 103, 15]. En de geur van uwe kleederen zoo zegt hij, overtreft alle reukwerken" (Hoogl. 4, 10)[b:Hoogl. 4, 10]; en wat verder: "en de geur van uwe kleederen is als de reuk van den Libanon." Zie, o maagd, welk een vooruitgang gij ons hier biedt. Uw eerste geur toch gaat alle reukwerken te boven, die benut zijn voor de begrafenis van den Zaligmaker, en geeft door haar reuk te kennen, dat de driften van het lichaam zijn afgestorven en de lusten der lichaamsdeelen gestorven zijn. Uw tweede geur, als de reuk van den Libanon, wasemt de ongereptheid uit van het Lichaam des Heeren uit den bloem uwer maagdelijke reinheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 8.
Dat dan uwe werken een honigraat vormen, want de maagdelijkheid verdient met de bijen te worden vergeleken, zoo arbeidzaam, zoo eerzaam, zoo kuisch is zij. De bij wordt gevoed met den dauw, zij paart niet, zij maakt honing. Dauw is ook het goddelijk Woord, want als dauw dalen Gods woorden neer. De eerbaarheid der maagd is haar ongerepte natuur. De baring der maagd is de vrucht van haar lippen, vrij van bitterheid, rijk aan zoetheid. Haar arbeid is gemeenzaam en voor de gemeenschap is de vrucht ervan. Wat zou ik u graag, mijne dochter, het bijtje zien navolgen, wiens spijs een bloem is, dat met den mond zijn kroost puurt, het met den mond verzamelt. Volg hem na, mijne dochter. Uwe woorden mogen volstrekt geen verborgen list omhullen, geen omhulsel van bedrog hebben, maar moeten zuivere waarheid bevatten en vol waardigheid zijn. Een eeuwig nageslacht van verdiensten moge uit uw mond geboren worden. En niet voor uzelve alleen maar voor zeer velen moet gij die verzamelen hoe weet ge immers wanneer uw ziel van u zal worden opgeischt? opdat ge niet, met achterlating van schuren volgestapeld met graan, dat niet meer van nut zal wezen voor uw levensonderhoud noch u verdiensten zal verschaffen, daarheen gesleept wordt, waarheen gij uw schat niet mee kunt dragen. Wees dan rijk, maar voor den arme, opdat de deelgenooten van uw natuur ook deelgenooten mogen zijn van uw vermogen. Ik toon u ook de bloem die gij moet plukken. Hem namelijk, Die gezegd heeft: Ik ben de bloem des velds en de lelie der dalen, als een lelie temidden van doornen" (Hoogl 2, 1-2)[b:Hoogl 2, 1-2], wat een klaarblijkelijke aanwijzing is, dat de deugd omwoekerd wordt door de doornstruiken der booze geesten, waar niemand een vrucht van kan halen, tenzij hij heel voorzichtig nadert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerschaf u dan vleugelen, o maagd, maar vleugelen des geestes, om over de ondeugden heen te vliegen, als gij Christus wilt bereiken: "Hij woont in den hooge en ziet op het lage neer" (Ps. 112, 5-6)[b:Ps. 112, 5-6] en zijn voorkomen is als een ceder van den Libanon, die zijn kruin in de wolken boort maar zijn wortel in de aarde. Want zijn oorsprong komt van den hemel maar wat Hij later werd op aarde, bracht vruchten voort tot aan den hemel. Beschouw heel ijverig een zoo goede bloem, of gij haar misschien vindt in het dal van uw hart, want door de nederigen wordt haar geur zoo gaarne ingeademd. Zij schiet bij voorkeur omhoog in de hoven, waar Susanna haar vond, terwijl zij wandelde, eerder bereid om te sterven dan zich te laten onteeren. Wat nu die hoven zijn, toont Hijzelf aan, als Hij zegt: "Een omheinde hof, (zijt gij) mijn zuster en bruid, een omheinde hof, een verzegelde bron" (Hoogl. 4, 12)[b:Hoogl. 4, 12], omdat in dergelijke hoven het water van de reine bron de beeltenis weerspiegelt, bestempeld met de zegels van God, opdat haar stroomen niet vertroebeld worden door modder, omgewoeld door de warreling van booze geesten. Daarom wordt die kuischheid afgesloten, door een geestelijken muur omheind, om niet voor roof te zijn opengesteld. Derhalve geurt zij, als een voor dieven ontoegankelijke tuin, naar den wijnstok, riekt zij naar den olijf, straalt zij als de roos, opdat in den wijnstok de godsvrucht, in den olijf de vrede, in de roos de reinheid der gewijde maagdelijkheid geure. Dit is de geur, die de aartsvader Jacob opsnoof, toen hij mocht zeggen: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een vollen akker" (Gen. 27, 27)[b:Gen. 27, 27]. Want al was de akker van den heiligen aartsvader vol van bijna alle vruchten, dáár bracht hij door grooter deugdbeoefening vruchten voort, hiér bloemen. Omgord u dan, o maagd, en als ge wilt, dat zulk een hof u tegengeure, sluit hem dan af naar de voorschriften van den Profeet. "Stel een wacht voor uw mcind en een rondloopende poort voor uw lippen" (Ps. 140, 3)[b:Ps. 140, 3], opdat gij kunt zeggen: Als een appelboom temidden der hoornen van het woud, zoo is mijn broeder temidden der zonen. Onder zijn schaduw ontsproot mijn verlangen en ik zat neer en zoet was zijn vrucht in mijn keel. Ik heb gevonden, Dien mijne ziel bemint, ik houd Hem vast en zal Hem niet laten gaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMijn broeder dale af in zijn tuin en ete de vrucht van zijn appelen. Kom, mijn broeder, laat ons naar het veld gaan. Druk mij als een zegel in uw hart en als een stempel op uw arm. Mijn broeder is blank en rozig" (Hoogl. 3, 4; Hoogl. 5, 1; Hoogl. 7, 11; Hoogl. 8, 6; Hoogl. 5, 10)[b:Hoogl. 3, 4; Hoogl. 5, 1; Hoogl. 7, 11; Hoogl. 8, 6; Hoogl. 5, 10]. Want gij behoort volkomen te begrijpen, o maagd, Wien gij bemint en heel het mysterie te erkennen zoowel van Zijn aangeboren Godheid als van Zijn aangenomen Menschheid. Terecht is Hij blank, als de afglans des Vaders, rozig als de vrucht der Maagd. In Hem straalt blank en glanst in rooden gloed de kleur van beide naturen. Bedenkt echter, dat de teekenen der Godheid in Hem ouder zijn dan de geheimen van het lichaam, daar Hij niet begon vanaf (Zijn geboorte uit) de Maagd, maar Hij die was, kwam in de Maagd. Hij (van u) gescheiden door de soldaten, gewond door de lans, opdat Hij ons zou genezen met het Bloed uit de Heilige Wonde, zal u voorzeker antwoorden en- Hij is immers zachtmoedig en ootmoedig van harte en lieflijk van aanblik (Mt. 11, 29; Gen. 39, 6)[b:Mt. 11, 29; Gen. 39, 6]: "Steek op Noordenwind en kom, Zuidenwind, waai over mijn tuin en dat mijn geuren zweven!" (Hoogl. 4, 16)[b:Hoogl. 4, 16] Van alle kanten der wereld toch is de reuk van de gewij de maagdelijkheid opgestegen, waarvan de ledematen der geliefde maagd geuren . .,Schoon zijt gij, mijne zuster, schoon als de goede meening, schoon als Jerusalem' (Hoogl 6, 3)[b:Hoogl 6, 3]. Niet de schoonheid van het brooze lichaam, die door ziekte of ouderdom zal vergaan, maar de aan geen lotgevallen onderworpen onsterfelijke roem van edele verdiensten strekt den maagden tot sieraad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn daar gij al niet meer met menschelijke wezens verdient vergeleken te worden, maar met de hemelsche, wier leven gij leeft op aarde, ontvang daarom van den Heer de voorschriften, die gij moet onderhouden. "Druk mij als een zegel in uw hart en als een stempel op uw arm" (Hoogl. 8, 6)[b:Hoogl. 8, 6], zoo zegt Hij, opdat daardoor de documenten voor uw voorzichtigheid en goede daden een des te duidelijker stempel dragen en er de gedaante van God, Christus, van uitstrale, Die in vollen omvang aan het wezen van den Vader gelijk al wat Hij goddelijks van den Vader ontving naar buiten geopenbaard heeft. Daarom zegt ook de Apostel Paulus, dat wij in den geest zijn gestempeld, daar wij het beeld van den Vader dragen in den Zoon, het zegel van den Zoon dragen in den Geest. Laten wij, gezegeld door die Drieëenheid des te ijveriger zorgen, dat geen wuftheid van zeden, geen bedrog van eenigen ontrouw het pand ontzegele, dat wij in onze harten hebben ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDoch snel wijke deze vrees van de gewijde maagden, aan wie de Kerk het eerst zooveel bescherming schenkt. Bezorgd voor haar teedere kinderschaar rijst zij al voortgaande op als een muur met haar torenhooge volle borsten, totdat zij na den storm-
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media(pag. 42/43)
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media(pag. 43)
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZalig de maagden, die geen verlokking des lichaam1s verleidt, geen vloed van geneugten omlaag sleurt. De spijze der soberheid, de drank der onthouding. leert onbekendheid met de zonden, daar zij onbekendheid leert met de oorzaken der zonden. Gelegenheid tot zondigen heeft vaak zelfs rechtvaardigen bedrogen. Vandaar dat het volk Gods, nadat het zich had neergezet om te drinken, God verloochende. Vandaar dat Loth den bijslaap met zijn dochters niet bemerkte en aldus toeliet. (Gen. 19, 30 v.)[[b:Gen. 19, 30]] Vandaar dat eens de zonen van Noë achteruitloopend de schande van hun vader bedekten. Wat een onbeschaamde zag, daarvoor schaamde zich een bescheidene, dat bedekte een eerbiedige, die geërgerd zou zijn als ook hij het gezien had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHoe groot is de macht van den wijn, dat de wijn hem ontblootte, dien de zondvloed niet ontbloot had! (Gen, 9, 21 v.)[[b:Gen. 9, 21]]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 9.
Wat beteekent dit nu? Hoe groot is het geluk. dat geen enkele begeerte naar bezit u ontvlamt? De arme vordert wat gij hebt, hij vraagt niet wat ge niet bezit. De vrucht van uw arbeid is een schat voor den behoeftige en als het ook maar twee muntjes zijn, dan is het nog een vermogen voor die ze wegschenkt. Verneem dan, zuster, wat gij ontberen moet. Want waarvoor gij u moet hoeden, dat behoef ik u niet te onderrichten en behoeft gij niet (meer) te leeren; want de beoefening der volmaakte deugd heeft geen onderricht noodig. maar geeft het zelf. Ge ziet hoe zij daar voortschrijdt als een (versierde) draagstoel in feeststoet, die zich opmaakt om te behagen, aller hoof den en blikken tot zich trekkend, maar des te leelijker juist door datgene. waardoor zij tracht te behagen, want zij mishaagt veeleer aan het volk dan dat zij aan haar man behaagt. Maar in u behaagt het verwaarloozen der zorg voor opsmuk des te meer en juist (het feit) dat gij u niet optooit is uw tooisel. Zie naar die ooren, door wonden verscheurd en heb medelijden met den last van den neerhangenden hals. Het onderscheid der metalen vermindert de pijn niet. Hier snoert een keten den hals, daar knelt een boei den voet. Het komt er niets op aan, of het lichaam bezwaard wordt door goud of door ijzer. Zoo wordt de nek gedrukt, zoo het voortgaan verzwaard. (Over den opsmuk der vrouwen schreven reeds vroeger Clemens van Alexandrië, Tertullianus en Cyprianus en behalve bij hen kon Ambrosius het vinden in Isaias 3, 16 v.)[[b:Jes. 3, 16]] De hooge prijs helpt u niets, o vrouwen, hetzij dan dat gij vreest dat de pijn u zou ontgaan. Wat maakt het voor verschil, of het oordeel van anderen of uw eigen oordeel u veroordeelt? Daarom zijt gij nog ellendiger dan zij, die publiek worden veroordeeld, dat zîj verlangen los te komen, gij te orden gebonden. Maar hoe eliendig is dan die toestand, dat de toekomstige bruid, als een slavin wier schoonheid te koop is geveild wordt, zoodat de meestbiedende haar kan koopen! Dat slavinnen verkocht worden is toch nog eerder te verdragen, daar zij dikwijls haar meester zelf kiezen. Maar als een (vrij) jong meisje zelf kiest, is dat een misdaad, kiest het niet, dan is het een schande. Al is ze mooi en sierlijk, ze verlangt en vreest tegelijk, gezien te worden. Ze verlangt, om zich des te duurder te verkoopen ze vreest, dat wat gezien wordt niet zal bevallen. Hier wordt met haar verlangens gespot, en wat een wantrouwende vrees voor de komst der vrijers, dat een arme haar zou bedriegen. een rijke versmaden, een knappe bespotten, een voorname haar verachten!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 10.
Men zal zeggen: U bezingt ons nu ook iederen dag den lof" der maagden! Wat moet ik doen, daar ik dagelijks hetzelfde zing en toch niets verder kom? Maar dat is mijn schuld niet. Er komen zelfs uit Piacenza maagden ter wijding, uit Bologna, uit Mauretanié Noord-Afrika (Algiers en...Noord-Afrika (Algiers en Marokko)., om hier den sluier te ontvangen. Dat is iets bijzonders, wat ge hier ziet: hier pleit ik en elders overreed ik. Als dat zoo is, zullen we elders moeten pleiten, om u te overreden. Wat zal men zeggen, dat zelfs die mij niet hooren ( mijn roepstem) volgen, maar die wél hooren niet volgen? Want ik weet, dat heel wat jongemeisjes wel willen, maar door haar moeders verhinderd worden, zich aan te bieden en waf nog erger is: door weduwen. Tot dezen richt ik mij hier. Als toch uwe dochters een mensch wilden beminnen, zouden zij dat volgens de wet kunnen kiezen. En die dus een mensch mogen kiezen. zouden God niet mogen kiezen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZiet toch eens, hoe zoet de vrucht der kuischheid is, dat zij zelfs in de harten van barbaren opgroeit. Meisjes, van de verste streken aan weerszijden der grenzen van Mauretanié hierheen gevoerd verlangen hier gewijd te worden en al zuchten heele families in de boeien, de kuischheid kent geen banden. Al zucht zij onder het onrecht der slavernij, zij verkondigt het rijk der eeuwigheid. En wat zal ik van de meisjes uit Bologna zeggen, die talrijke strijdtroep voor de kuischheid, die verzakend aan de wereldsche geneugten het heiligdom der maagdelijkheid bewonen? Zonder seksegemeenschap maar in gemeenschappelijke kuischheid brachten zij het tot het getal van twintig en tot honderdvoudige vrucht en met achterlating van haar vaderlijk huis verblijven zij, onvermoeide strijders voor de kuischheid, in de tenten van Christus. Nu eens laten zij geestelijke zangen weergalmen, dan weer zorgen zij door handenarbeid voor haar levensonderhoud, en ook voor de liefdadigheid zoeken zij de middelen in het handwerk. Als de reuk haar op het spoor heeft gebracht van een maagd vóór alles toch beoefenen zij de jacht om de kuischheid te ontdekken, dan volgen zij met heel behoedzame schreden de verborgen bruid tot diep in de binnenkamers, of als er eene opglanst in meer vrije vlucht, dan kunt gij ze allen zien opstijgen op wijde wieken, met ruischende vleugelen en juichend geflonker, om haar die daar komt aangevlogen te omzweven in reinen reidans der kuischheid, totdat zij, verrukt door het wit glanzend geleide en haar vaderhuis vergetend, de velden der reinheid betreedt en binnengaat in de omheining der kuischheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMooi is het dus, als ouderlijke zorg het jonge meisje de kuischheid als het ware doet toewaaien, maar roemvoller is het, als de gloed van de teedere jeugd, ook zonder door ouderen te zijn gevoed, spontaan oplaait tot een. vuurhaard van kuischheid. Een bruidsgift zullen de ouders weigeren, maar gij hebt een rijken Bruidegom en tevreden met Zijn schatten zult ge naar geen winst van vaderlijk erfdeel verlangen. Hoezeer gaat kuische armoe de voordeden van bruidsgift te boven! Maar toch: van wie hebt ge ooit gehoord, dat ze om haar streven naar de maagdelijkheid haar wettelijk erfdeel heeft moeten missen? De ouders protesteeren maar zij willen overwonnen worden. Zij verzetten zich vaak boos, opdat gij zoudt leeren te overwinnen, zij dreigen met onterving, om te beproeven of gij in staat zijt tijdelijk nadeel niet te vreezen, zij bekoren u met verfijnde verlokkingen, om te zien, of de verleiding van veelsoortige genoegens u niet kan verweekelijken. Men stelt u op de proef, o maagd, als men zoo aandringt. En die eerste strijd wordt u opgelegd door de zorgvolle verlangens van uw ouders. Overwin eerst. meisje, de kinderliefde. Als ge uw huis kunt overwinnen, kunt ge het ook de wereld. Maar laat het zoo zijn, laat het verlies van uw vaderlijk erfdeel blijvend zijn, kan het toekomstige Rijk der hemelen
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 11.
het verlies van wankele brooze bezittingen soms niet vergoeden? Ofschoon, als we de hemelsche woorden mogen gelooven, ,er niemand is, die zijn huis, of zijn ouders, of zijn broeders of zijn echtgenoote of zijn kinderen om het Rijk Gods verlaten heeft en niet het zevenvoud ontvangt, reeds in deze wereld; maar in de toekomstige wereld zal hij het eeuwige leven bezitten" (Lc. 18, 29)[b:Lc. 18, 29]. Vertrouw uw geloof aan God toe. Gij die uw geld aan een mensch toevertrouwt, leen het aan Christus tegen woekerrente. Hij. trouw bewaker van de Hem toevertrouwde hoop. betaalt het talent van uw geloof terug met opgestapelde rente. De waarheid bedriegt niet, de rechtvaardigheid doet niet tekort, de deugd misleidt niet. Als ge aan een uitspraak niet gelooft, gelooft dan aan voorbeelden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWij herinneren ons een meisje, dat lang in aanzien stond in de wereld, maar nu in hooger aanzien bij God. Toen ze door ouders en verwanten tot een huwelijk geprest werd, vluchtte zij tot het hoogheilig altaar; waarheen toch zou een maagd beter vluchten dan waar het offer der maagdelijkheid wordt opgedragen? En daarmee hield haar dapperheid nog niet op. Zij stond daar voor het altaar Gods, een offerlam van onschuld, een slachtoffer van kuischheid, terwijl zij nu eens- de hand van den priester op haar hoofd legde en smeekte om zijn gebed, dan weer ongeduldig om zijn begrijpelijk talmen diep het hoofd boog onder het altaar en sprak: "Zou de bruidsluier mij beter omhullen dan het altaar, dat zelf de sluiers wijdt? Beter past die bruidsluier waarop dagelijks ons aller Hoofd, Christus, wordt geconsacreerd. Wat wilt ge toch, mijne verwanten? Wat maakt gij u nog zorgen om een huwelijk tot stand te brengen? Ik heb daar allang voor gezorgd en gij biedt mij een bruidegom aan? Een beteren heb ik gevonden. Overdrijft zijn rijkdom zoveel ge wilt, pocht op zijn adel, looft zijn macht: ik bezit Hem. met Wien niemand zich kan vergelijken. Zijn rijkdom is de wereld, Zijn macht de Heerschappij, Zijn adeldom de hemel. Als gij er zóó een hebt, wijs ik uw keuze niet af; maar als ge hem niet kunt vinden. dan zijt gij niet ijverig bezorgd voor mij, mijn verwanten, maar naijverig." Terwijl de overigen zwegen riep er een plotseling uit: "Maar hoe? Als uw vader nog leefde, zou hij dan toestaan dat ge ongehuwd bleef?" Toen sprak zij, meer door godsvrucht, minder door kinderliefde gedreven: Misschien is hij juist daarom gestorven, opdat hij geenerlei beletsel zou kunnen stellen." Dit antwoord omtrent den vader, (maar tevens) godspraak omtrent hemzelf, heeft hij als juist bewezen door zijn spoedigen dood. Zoo begonnen dan de overigen, daar zij ieder voor zich hetzelfde vreesden, haar te begunstigen, terwijl zij toch eerst hadden getracht het haar te beletten en zoo bezorgde de maagdelijkheid haar geen verlies van het haar toekomend vermogen, maar verwierf zij de winst der ongereptheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaar hebt ge dan, meisjes, de belooning van de vrome toewijding. Ouders, wacht u voor het voorbeeld van ergernis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- TWEEDE BOEK.
- Hoofdstuk 1.
In het vorige boek wilden we - maar we konden het niet! verklaren, welk een verheven roeping de maagdelijkheid is. opdat de hemelsche schoonheid van die roeping op zich de lezeres reeds zou nooden. In het tweede boek past het, de maagd in te wijden en als met de leering van bevoegd gezag te onderrichten. Daar wij echter te zwak zijn om te vermanen en onbekwaam om te onderwijzen hij die onderricht, moet toch uitsteken boven hem die onderricht wordt hebben wij gemeend. opdat we niet den schijn op ons zouden laden van of wel de aanvaarde taak in den steek te hebben gelaten of wel ons nog meer te hebben aangematigd, haar veeleer door voorbeelden dan door voorschriften te moeten onderrichten. Men bereikt trouwens meer met een voorbeeld, daar men niet-moeilijk acht. wat reeds gedaan is en nattig wat zich goed heeft bewezen en eerbiedwaardig wat door een soort erfelijke beoefening van voorvaderlijke deugd langs den weg der voortplanting in ons is overgestort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls iemand ons soms van vermetelheid beschuldigen wil, dan beschuldige hij ons veeleer van (te grooten) ijver, daar ik gemeend heb zelfs dit niet te moeten weigeren aan de maagden die erom vroegen. Liever toch wilde ik aan het gevaar voor beschaming worden blootgesteld dan geen gehoor geven aan den wensch van haar, aan wier aandrang zelfs onze God vriendelijk instemmend toegeeft. Maar eenerzijds kan mij geen verwijt worden gemaakt van aanmatiging, daar zij meer om mijn sympathie dan om mijn leering vroegen, want ze hadden wel andere gelegenheid om te leeren, en anderzijds is mijn ijver te verontschuldigen, wijl ik, ofschoon zij het gezag van een martelaar Hier doelt hij wel op Sint...Hier doelt hij wel op Sint Cyprianus. hadden omtrent de onderhouding der tucht, het niet overbodig heb geacht, als zij de vleierij van onze woorden zouden aanwenden als aanloksel voor de roeping. Hij kon gemakkelijk onderrichten, die de ondeugden geeselde op strengen toon, wij, die niet doceeren kunnen, willen liever vleien. En daar er zoovele afwezigen van onze toespraak gebruik wenschen te maken, heb ik dit boek samengesteld, opdat zij, in het bezit der gave van mijn woord dat tot haar uitging, niet zouden gelooven dat zij hem moeten missen, dien zij inderdaad bij zich hebben. Doch laten wij verder gaan met ons thema.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 2.
Zoo zij u dan als een uitbeelding van de maagdelijkheid op een schilderij: het leven van Maria, waaruit als van een spiegel het beeld weerkaatst van de kuischheid en de gestalte der deugd. Daaraan moogt gij voorbeelden ontleenen voor het leven, waar als in een toonbeeld uitgestald de lessen der rechtschapenheid u toonen, wat gij moet verbeteren, wat in u vormen, waaraan gij moet vasthouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe eerste prikkel tot leeren is de voortreffelijkheid van den leermeester. En wat is er edeler dan de Moeder van God? Wat glanzender dan zij, die de Glans (des Vaders) heeft uitverkoren, wat kuischer dan zij, die een Lichaam voortbracht zonder besmetting van het lichaam? Wat zal ik dan nog spreken van haar overige deugden? Maagd was zij, niet enkel naar het lichaam maar ook naar den geest, zij die haar zuivere gezindheid door geen kronkel van bedrog kon vervalschen; nederig van harte, waardig in woorden, voorzichtig van geest, eer spaarzaam in het spreken maar des te ijveriger in het lezen, haar hoop niet stellend op het onzekere van den rijkdom maar op het gebed van den arme, toegewijd aan haar taak, schroomvallig in het spreken zocht zij geen mensch maar God als keurmeester van haar geest, niemand beleedigde zij, was allen welgezind, voor ouderen rees zij op, haars gelijken beneed zij niet, zij vluchtte de ijdele vertooning, volgde de rede, beminde de deugd. Wanneer heeft deze ook maar door een blik haar ouders bedroefd, wanneer was zij oneenig met haar verwanten? Wanneer behandelde zij den mindere uit de hoogte, wanneer spotte zij met den zwakke, wanneer ontliep zij den behoeftige, zij die slechts zulke samenkomsten van mannen placht te bezoeken, waarvoor de barmhartigheid zich niet behoefde te schamen of waaraan de schroomvalligheid niet behoefde voorbij te gaan? Niets stuursch in haar oogen, niets uitgelatens in haar woorden, niets oneerbaars in haar handeling, geen weekheid van gebaren, geen losheid van gang, geen uitgelatenheid van stem, zoodat reeds haar lichamelijke verschijning een beeld was van haar innerlijk, een toonbeeld van haar rechtschapenheid. Een goed huis toch moet reeds bij den ingang als zoodanig kenbaar zijn en bij het eerste binnentreden toonen, dat daarbinnen niets duisters schuilt, zoodat onze geest, door geen lichamelijke grendels weerhouden, als het licht van een lamp, daarbinnen geplaatst, naar buiten uitschijne.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat zal ik nog spreken over de soberheid van haar spijzen, over den overvloed van haar geestelijke oefeningen, waarvan het eene boven de natuur uitging. het andere haast aan de natuur tekort deed? Hier werd geen tijd' vrijgelaten, daar reiden zich de dagen in vasten aaneen. En als soms het verlangen naar verkwikking opkwam, was het meestal de eerste de beste spijs, genoeg om den dood te weren, niet om genot te verschaffen. Naar slapen kwam geen verlangen op voordat het noodig was en nog, wanneer het lichaam rustte, waakte de ziel, die dan vaak in den slaap het gelezene opnieuw naging of het door den slaap onderbrokene voortzette of voornemens uitvoerde of alvast bepaalde wat gedaan moest worden. Aan uitgaan dacht zij niet, tenzij om voor den godsdienst samen te komen en dat dan nog met haar ouders of verwanten. Bedrijvig in de verborgenheid van haar woning, was zij buiten steeds omringd van gezelschap. maar zij had toch geen beteren bewaker dan zichzelve, waar zij eerbiedwaardig in gang en houding niet zoozeer de schrede van haar voet vooruit bracht dan wel de trap van haar deugd omhoog bracht. Immers. de maagd moge dan al andere bewakers hebben over haar ledematen, van haar zeden moet zij zelve de bewaakster zijn. Er mogen er meerderen zijn, van wie zij leeren kan, als zijzelve zich maar onderricht, die toch de deugden tot leermeesteressen heeft, want wat zij dan ook doet zal volgens de tucht zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaria lette zóó op allen, als moest zij door velen vermaand worden, maar zóó vervulde zij alle verplichtingen der deugd. dat zij niet zoozeer leerde als wel zelf onderrichtte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZoo heeft haar de Evangelist getoond, zoo heeft haar de Engel gevonden, zoo heeft haar de Heilige Geest verkoren. Wat zou ik bij ieder afzonderlijk ding stilstaan, hoe haar ouders haar beminden, hoe buitenstaanders haar prezen, daar zij toch waardig was dat Gods Zoon uit haar geboren werd? Bij de eerste nadering van den Engel werd zij thuis gevonden in haar binnenkamer, zonder gezelschap, opdat niemand haar beschouwing zou onderbreken, niemand zou storen; want zij verlangde geen gezelschap van vrouwen, daar zij haar vrome gedachten tot gezellinnen had. Ja, juist dán scheen het haar toe, dat zij minder alleen was, wanneer zij alleen was; want hoe zou zij alleen zijn, die zooveel boeken, zooveel Aartsengelen, zooveel Profeten bij zich had? Gabriël vond haar overigens ook daar, waar hij haar placht te bezoeken en wel schrok Maria van den Engel, getroffen door de gedaante als van een man, maar zij herkende hem als een niet onbekende toen zij zijn naam vernam. Zoozeer voelde zij zich vreemd tegenover een man, die zich niet vreemd voelde tegenover een Engel, dat gij daaruit kunt opmaken hoe vroom haar ooren, hoe schroomvallig haar oogen waren. Dan, begroet blijft zij stil en antwoordt (slechts) als zij wordt toegesproken, maar nadat zij eerst in verwarring was geraakt, beloofde zij daarna gehoorzaamheid, Hoe toegewijd zij echter was tegenover haar vrouwelijke verwanten, geeft de goddelijke Schrift. te kennen. Immers niet alleen werd zij des te nederiger, zoodra zij van God vernam dat zij was uitverkoren, maar zij reisde ook aanstonds naar haar nicht in het gebergte, ongetwijfeld niet opdat zij om dat voorbeeld zou gelooven nl. dat zij, maagd blijvend,...nl. dat zij, maagd blijvend, zou kunnen baren, nu haar hoogbejaarde onvruchtbare nicht een zoon ontving., want zij had reeds geloofd aan de Boodschap: "Zalig. zeide hij immers, zijt gij, omdat gij geloofd hebt" (Lc. 1, 45)[b:Lc. 1, 45]. En drie maanden bleef zij bij haar. En gedurende al dien tijd is het geen zoeken naar geloof. maar een bewijzen van liefdedienst. En dat nog wel nadat de knaap opspringend in den schoot zijner moeder, haar als Moeder des Heeren begroet heeft, eerder in staat tot godsvrucht dan in het vol bezit der eigen natuur. En dan, bij zooveel wondere teekenen die nog volgden: toen de onvruchtbare baarde, de maagd ontving, de stomme sprak, de Wijze aanbad, Simeon verbeidde, de sterren verkondigden, "bewaarde Maria", zoo heet het, bewogen bij het binnentreden (van den Engel), onbewogen bij het wonder, al die dingen in haar hart" (Lc. 2, 19)[b:Lc. 2, 19]. Ofschoon Moeder des Heeren verlangde zij toch de geboden des Heeren te leeren en terwijl zij God had gebaard verlangde zij toch God te leeren kennen. En ging zij ook niet alle jaren naar Jerusalem bij het Paaschfeest en ging zij dan niet met Joseph? Overal is in een maagd de kuischheid gezellin van elke deugd afzonderlijk. Zij moet onafscheidelijk zijn van de maagdelijkheid, wijl zonder haar geen maagdelijkheid kan bestaan. Zoo ging dan ook Maria zelfs niet naar den Tempel zonder den bewaker van haar kuischheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDat is het beeld der maagdelijkheid. Zoodanig immers was Maria, dat het leven van haar alléén de norm voor allen is. Als dan die leermeesteres ons niet mishaagt, laten wij dan haar werk ook waardeeren, opdat een ieder die haar loon voor zich wenscht, haar voorbeeld volge. Welk een verscheidenheid van deugden schittert in die eene Maagd: geheim van zedigheid, banier van het geloof, overgave van godsvrucht. Maagd in haar binnenkamer ijlt zij als gezellin ten dienstbetoon, als Moeder naar den Tempel. O, hoeveel maagden zal Zij tegemoet gaan, hoevele zal Zij in haar armen tot den Heer voeren, zeggende: Deze heeft het rustbed van mijn Zoon, deze heeft Zijn bruidsvertrek in onbevlekte kuischheid bewaard." Hoezeer zal de Heer zelf ze aan den Vader aanbevelen, Zijn eigen woorden herhalend: "Heilige Vader. deze zijn het, die Ik voor U bewaard heb, op wie de Zoon des Menschen Zijn hoofd te ruste legde. Ik bid, dat waar Ik ben ook zij mogen wezen. Maar zij die niet voor zichzelf alleen geleefd hebben, mogen ook niet voor zich alleen iets vermogen: deze verlosse haar ouders, gene haar broeders. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft Mij niet erkend, maar dezen hebben Mij erkend en hebben de wereld niet willen kennen'. (Joh. 17, 11)[[b:Joh. 17, 11]] Wat een feeststoet zal dat zijn, wat een blijdschap van jubelende Engelen, omdat zij in den hemel mag wonen, die een hemelsch leven heeft geleid in de wereld! Dan zal ook Maria haar belletrom opnemen en de maagden ten reidans roepen, om tot den Heer te zingen. omdat zij onberoerd door de golven der wereld door de wereldzee zijn gegaan. (De zuster van Mozes. na den doortocht door de Roode Zee, vgl. Exod. 15, 20.)[[b:Ex. 15,20]] Dan zal ieder van haar juichen en zeggen: En ik zal ingaan tot het altaar van mijn God, tot God Die mijne jeugd verblijdt. Ik breng aan God een offer van lof en volbreng mijn geloften jegens den Allerhoogste" (Ps. 42, 4: Ps. 49, 14)[b:Ps. 43, 4; Ps. 50, 14]. Want ik twijfel niet of de altaren zullen ter beschikking staan voor u, wier harten ik gerust altaren van God kan noemen, waarop dagelijks Christus wordt geofferd voor de verlossing van het lichaam. Want als het lichaam der maagd een tempel Gods is, wat is dan wel de ziel. die als uit de asch der ledematen opgerakeld vuur, door de hand van den eeuwigen Priester weer blootgelegd, den gloed van het goddelijk vuur uitademt? Zalig, gij maagden, die geurt van zoo onsterfelijke gratie, als de hoven van bloemen, de tempels van godsvrucht, de altaren van den priester.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 3.
Zoo geve dan de heilige Maria den vorm aan uwe levenswijze. Thecla leere u den offerdood. De echtverbintenis ontvluchtend en veroordeeld door den woedenden bruidegom. veranderde zij zelfs den aard der wilde dieren door den huiver voor haar maagdelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant bereid (als offer) voor de wilde dieren bewerkte zij, doordat zij de blikken der mannen ontweek maar haar leven zelf den grimmigen leeuw aanbood, dat zij, die onbeschaamd hun blikken op haar wierpen, ze beschaamd weer hebben afgewend. Daar zag men dan het dier ter aarde liggend haar voeten likken, met stom geluid getuigend, dat hij het heilig lichaam van de maagd niet schenden kon. Het beest betoonde dus eerbied aan zijn prooi; zijn eigen natuur niet indachtig had het de onze aangenomen, die de menschen verloren hadden. Zoo kon men het aanschouwen, dat de menschen, door een soort ruil van natuur in wildheid gehuld, het beest tot wreedheid ophitsten, terwijl het beest, de voeten van het meisje kussend, leerde wat de menschen moesten doen. Zooveel bewonderenswaardigs bezit de maagdelijkheid, dat zelfs de leeuwen haar bewonderen. Die spijs verlokte geen hongerige dieren, schoon opgehitst vervoerde de aandrift hen niet, geprikkeld dreef hen de toorn niet aan, gewend werden zij toch door de gewoonte niet misleid, hun eigen aard had geen macht over hen. Zij onderwezen in den godsdienst. terwijl zij de martelares vereerden, zij leerden ook de kuischheid, toen zij daar slechts de voetzolen kusten der maagd met ter aarde neergeslagen oogen, als vreesden zij dat eenig mannelijk wezen of beest de maagd ontkleed zou zien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNu zal men zeggen: Waarom hebt u het voorbeeld van Maria aangehaald, alsof er iemand ge· vonden kan worden, die de Moeder des Heeren zou kunnen navolgen, waarom ook dat van Thecla, die de Leeraar der heidenen onderwees? Als. gij een leerlinge zoekt, geef dan zulk een leermeester." Goed, ik zal u zulk een voorbeeld geven van den laatsten tijd, opdat gij begrijpen moogt, dat de Apostel niet de Leeraar is van eene, maar van allen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 4.
Er was in Antiochié Een dergelijk verhaal als...Een dergelijk verhaal als hier volgt vindt men in de Acta den martelaren Didymus en Theodora in Alexandriê onder Diocletianus. Die Acta worden tegenwoordig niet geloofwaardig geacht en men kan veilig aannemen, dat Ambrosius ze niet voor zich gehad heeft. Anders zou hij de namen der martelaren niet verzwegen hebben en zich niet hebben vergist in de plaats. In ieder geval was er toch ten tijde van Ambrosius zoo'n verhaal in omloop en er zijn nog twee andere paren van wie iets dergelijks reeds in den ouden tijd vermeld werd. Waarschijnlijk heeft men dan ook wel een historischen kern aan te nemen. onlangs een maagd, die de blikken van het publiek ontvluchtte. Maar hoe meer zij de oogen der mannen ontweek, des te meer ontvlamde zij hen. Immers, een schoonheid waarvan men gehoord, maar die men niet gezien heeft. wordt des te meer begeerd door twee prikkels van begeerlijkheden, van liefde en van kennis, daar er eenerzijds niets is wat minder zou behagen en er anderzijds nog meer aanwezig wordt geacht, wat kan behagen en wat geen keurend oog doorzoekt, maar wat een verliefd hart verhoopt. Derhalve heeft die vrome maagd. opdat de begeerlijkheden niet langer gevoed zouden worden door de hoop op bezit, professie gedaan van volkomen maagdelijkheid en daardoor zóó de fakkels der goddeloozen gebluscht, dat zij niet meer bemind maar verraden werd. Vervolging breekt los! Het meisje denkt aan geen vluchten. Wel was zij bang in de handen te vallen van de belagers van haar deugd, maar zij wekte haar hart op tot standvastigheid met zulk een godsvrucht, dat zij den dood niet vreesde, in zulk een kuischheid, dat zij hem verbeidde. De dag voor de martelkroon komt! Allen zijn vol verwachting! Het meisje wordt voorgeleid, besloten tot den dubbelen strijd voor kuischheid en godsdienst. Maar als men de vastberadenheid van haar besluit ervaart, haar zorg voor haar kuischheid, hoe zij bereid is voor de folteringen doch bloost voor de blikken, begint men te bedenken, hoe men • haar onder voorwendsel van behoud der kuischheid den godsdienst kan ontnemen, opdat men na datgene te hebben weggenomen, wat hooger was, haar ook zou kunnen ontrooven wat men haar had gelaten. Ofwel offeren, luidt het bevel, ofwel in een bordeel worden veilgegeven. Hoe vereeren zij .hun goden, die hen op die manier wreken, of hoe leven zij, die aldus vonnissen? Hier vraagt het meisje zich af, niet alsof zij over haar godsdienst in twijfel zou zijn, maar uit angst voor haar reinheid: Wat moeten we doen? Vandaag heet het: of martelaar of maagd. Een van beide kronen wordt ons misgund. Maar ook de eerenaam van maagd wordt niet erkend, waar de schepper der maagdelijkheid wordt verloochend. Want hoe zou men· maagd kunnen zijn, als men een boeleerster vereert Venus, de godin der liefde.Venus, de godin der liefde., hoe maagd, als men echtbrekers bemint Jupiter en andere goden.Jupiter en andere goden., hoe maagd, als men om liefde vraagt? Beter is dan toch, een maagdelijken geest dan een maagdelijk lichaam te hebben. Beide is goed, als het kan. Als het niet mag, laten we dan tenminste, zoo al niet voor de menschen dan toch voor God kuisch zijn. Ook Rahab was een slechte vrouw, maar nadat zij aan God geloofde, vond zij het heil. Judith ook heeft zich opgetooid om aan een wellusteling te behagen. Daar zij dit echter uit godsdienstig motief, niet uit liefde deed, veroordeelde niemand haar als overspelige. Dat is een geschikt voorbeeld! Immers als zij, die zich om den godsdienst prijsgaf, zoowel haar eerbaarheid als haar vaderland redde, dan zullen misschien ook wij, door aan den godsdienst vast te houden, onze kuischheid kunnen bewaren. Als toch Judith aan haar kuischheid boven haar godsdienst de voorkeur had willen geven, dan" had zij mèt het vaderland ook haar kuischheid verloren doen gaan." Verlicht derhalve door zulke· voorbeelden en tevens in haar geest zich aan des· Heeren woorden houdend, waarmee Hij sprak: ,.Al wie zijn leven zal verloren hebben om Mij, zal het terugvinden" (Mt. 10, 39)[b:Mt. 10, 39], weende zij en zweeg. opdat de wellusteling haar zelfs niet zou hooren spreken.' Onteering van haar kuischheid verkoos zij niet,' maar beleediging van Christus heeft zij geweigerd. Oordeelt nu, of zij haar lichaam heeft kunnen schenden, die zelfs geen schandelijk woord gesproken heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReeds lang schaamt zich mijn woord en huivert ervoor het schandelijk verloop der feiten te verhalen en te verklaren. Sluit uw ooren, maagden: het kind van God wordt naar het bordeel gevoerd. Maar opent uw ooren, o maagden van God: de maagd van God kon worden veil gegeven maar kon niet worden onteerd. Waar een maagd van God is, daar is een tempel Gods. Zelfs bordeelen onteeren de kuischheid niet, maar de kuischheid neemt de schande weg van de plaats. Een geweldige oploop van wellustelingen voor het bordeel leert, vrome maagden, de wondere daden der martelaren, maar vergeet de namen der plaatsen! -; de duif wordt binnen opgesloten, de gieren krijschen daarbuiten, vechten onder elkaar, wie maar het eerst op de buit zal losvliegen. Maar zij bad, met ten hemel geheven handen, als ware zij in een huis van gebed, niet in een hol van wellust gekomen: "Christus, woeste leeuwen hebt Gij voor een maagd getemd, Gij kunt ook de wilde gemoederen der menschen temmen. Voor de Chaldeeuwen werd het vuur een dauw (De drie jongelingen in den vuuroven, Dan. 3, 50.)[[b:Dan. 3, 50]], voor de Joden hielden de golven zich in, door Uw goedertierenheid, niet krachtens hun natuur. Susanna boog reeds de knie voor de doodstraf en: zij triomfeerde over de wellustelingen. Verdord werd de hand, die de gaven van Uwen tempel schond (1 Kon. 13, 4)[b:1 Kon. 13, 4]. Nu wordt Uw eigen tempel aangerand. Duld de schanddaad van den heiligschenner niet, Gij Die den diefstal niet gedoogd hebt. Dat ook nu Uw Naam gezegend worde, opdat ik, die ter onteering ben gekomen, als maagd vanhier moge gaan."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNauwelijks had zij haar gebed voleind of zie: een man van grimmig militair voorkomen stormt naar binnen. Hoe moest die maagd niet sidderen voor hem, voor wien het volk bevend uiteenweek! Maar zij, indachtig wat zij had gelezen, sprak: "Ook Daniël was gekomen om de terechtstelling van Susanna te zien en haar, die heel het volk had veroordeeld, heeft hij vrijgesproken. Ook in deze wolvenhuid kan een schaap schuilen. Ook Christus heeft Zijn strijders: Hij heeft zelfs legioenen. Of misschien is hij als beul binnengekomen: vrees dan niet, mijne ziel, zoo een pleegt martelaren te maken." O Maagd, ,uw geloof heeft u behouden!" (Lc. 8, 48)[b:Lc. 8, 48] De krijgsman zegt tot haar: Wil niet vreezen, mijne zuster! Als broeder ben ik hierheen gekomen om uw leven te redden, niet om het te verderven. Red mij, opdat ge zelf gered moogt worden. Als wellusteling binnengedrongen zal ik, als ge wilt, als martelaar naar buiten gaan. Laten wij van kleederen verwisselen; de uwe passen mij en de mijne aan u, maar beide aan Christus. Uw kleed maakt mij tot waren krijgsman, het mijne u tot maagd. Gij zult er goed mee gekleed zijn, ik kan het beter uittrekken, opdat de vervolger mij herkenne. Neem het kleed, dat de vrouw verberge, geef het kleed dat den martelaar moge wijden. Trek aan den soldatenmantel. opdat die uw maagdelijke leden doe schuilgaan, uw eerbaarheid redde. Neem de' soldatenkap, om uw haren te bedekken, uw gelaat te verbergen. Die het bordeel zijn binnen gegaan, plegen zich te schamen. Maar als ge buiten zijt gekomen, kijk dan niet om, de vrouw van Loth indachtig, die haar natuur verloor Van mensch in zoutzuil...Van mensch in zoutzuil veranderde. omdat zij, hoewel met reine oogen, naar onreinen had omgezien. Wees niet bezorgd, dat er iets van uw offer verloren zou gaan. Ik geef mij in uw plaats als offerande aan God, gij biedt u in mijn plaats als strijder aan Christus, daar gij den goeden krijgsdienst der kuischheid vervult, die dient voor eeuwige soldij, het pantser der gerechtigheid draagt, dat met geestelijke beschutting het lichaam omsluit, het schild des geloofs, waardoor gij wonden kunt weren, den helm des heils, want dáár is de schutse voor ons heil, waar Christus is, want de man is het hoofd der vrouw, maar Christus van de maagd." Met deze woorden legde hij zijn mantel af, ook toén nog ervan verdacht, een vervolger en een wellusteling te zijn. De maagd bood haar hals, de krijgsman zijn mantel. Wat verheven schouwspel, toen zij daar in het huis der ontucht om de martelkroon streden! Men voege er de personen bij: een krijgsman en een maagd, dat is twee van nature ongelijken, maar toch gelijken door Gods barmhartigheid, om de voorspelling in vervulling te zien gaan: "dan zullen wolven en lammeren tezamen weiden" (Jes. 65, 25)[b:Jes. 65, 25]. Ziet! een lam en een wolf weiden niet slechts samen maar worden ook samen geofferd. Waartoe nog verder? In verwisseld kostuum ontvliedt het meisje den strik, niet meer op eigen wieken, want zij werd op geestelijke vleugelen gedragen, en wat geen eeuwen ooit hadden aanschouwd: zij verlaat de plaats van ontucht als maagd, maar dan ook van Christus!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar zij, die haar met eigen oogen zagen en toch weer niet zagen, snoven naar buit als roofzuchtige wolven naar een lam. Een van hen, bijzonder onbeschaamd, trad binnen. Doch zoodra hij de toedracht der zaak met de oogen heeft opgenomen, roept hij uit: Wat is dat? Een meisje ging binnen en nu zie ik, een man! Kijk, dat is niet dat ,een hinde voor een maagd" uit de fabel Iphigenia in Aulis, van...Iphigenia in Aulis, van Euripides. Agamemnon wordt gedwongen zijn dochter I. aan Artemis te offeren, maar de godin stelt een hinde voor het meisje in de plaats., maar in waarheid: een soldaat uit een maagd. Ik had al wel gehoord, maar het niet geloofd, dat Christus water in wijn veranderd heeft; nu begint Hij ook al de geslachten te veranderen. Laten we hier vandaan gaan, zoolang we nog zijn die wij waren. Ben ik soms ook veranderd, daar ik iets anders zie dan ik geloof? Ik kwam naar het bordeel en ik zie een borg; en toch zal ik veranderd heengaan, als minnaar der kuischheid zal ik naar buiten gaan, die als onkuischaard binnen ging."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOp aangifte van den schuldige zelf, want zulk een overwinnaar kwam de kroon toe, werd in plaats van de maagd degene veroordeeld, die in haar plaats gegrepen was. Zoo zijn van het bordeel niet enkel maagden maar ook martelaren uitgegaan. Men verhaalt, dat het meisje naar de strafplaats is geijld, dat zij beiden hebben gevochten om den dood, daar hij zeide: "Mij heeft men bevolen ter dood te brengen, u heeft het vonnis vrijgesproken toen het mij gevangen hield," maar zij uitriep: Ik heb u niet als borg voor mijn dood gekozen, maar als borg voor mijn kuischheid verlangd. Als het om de kuischheid gaat, blijft de verplichting, vraagt men mijn bloed, dan wensch ik geen borg, maar kan het zelf inlossen. Tegen mij is dit vonnis geveld, dat tegen mijn plaatsvervanger werd uitgesproken. Ongetwijfeld, als ik u als borg had gesteld voor mijn geld en de rechter in mijn afwezigheid uw vermogen aan den schuldeischer had toegewezen, dan zoudt ge mij op grond van dit vonnis kunnen aanspreken; uit mijn vermogen zou ik uw verbintenis voldoen. Als ik dat weigerde, wie zou mij dan niet een onwaardigen dood waardig achten? Om hoeveel grooter rente gaat het bij dit kapitaal! Ik wil onschuldig sterven, om niet eenmaal met schuld beladen te sterven. Hier is geen enkele tusschenweg: vandaag nog zal ik ófwel schuldig zijn aan uw bloed óf martelaar met het mijne. Als ik nu toch zoo snel ben teruggekomen, wie zal mij dan afwijzen? Heb ik echter gedraald, wie zal mij dan vrijspreken? Ik val nu te meer onder de wet, schuldig als ik ben niet enkel aan mijn eigen vlucht, maar ook aan den dood van een ander. Mijn ledematen volstaan voor den dood, al volstonden zij niet voor de onteering. Voor een wonde is er in een maagd wel de plaats, die er niet was voor de schande. De schande heb ik ontweken, de martelie sta ik u niet af. Ik heb van kleed gewisseld, niet van beroep. Als ge mij den dood ontrooft, hebt ge mij niet bevrijd maar bedrogen. Wacht u toch, bid ik u, hierover te twisten, pas toch op, dat men u niet hoort tegenspreken. Wil mij toch de weldaad niet ontrooven, die ge mij geschonken hebt. Als ge mij dit vonnis weigert, maakt ge het vorige weer van kracht. Een vonnis wordt immers door een vroeger vonnis gewijzigd. Als het laatste geen vat op mij heeft, zit ik vast aan het eerste. Maar we kunnen beiden aan het vonnis voldoen, als ge toelaat dat ik het eerst ter dood word gebracht. Op u kunnen zij geen andere straf toepassen, in een maagd is de eerbaarheid voor straf ontvankelijk. Het zal u dus tot grooter roem strekken, als ge van een ontuchtige een martelares schijnt te hebben gemaakt, dan van een martelares weder een ontuchtige."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat verwacht gij nu? Twee hebben gestreden en beiden overwonnen. Niet verdeeld werd de kroon maar verdubbeld. Zoo hebben de heilige martelaren elkaar wederkeerig weldaden bewezen: de eene maakte een begin met de martelie, de ander bracht de voltooiing.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 5.
Maar ook de filosofenscholen verheffen de Pythagoreèrs Damon en Phintias in den hemel vgl: III, 45.[[[1379]]] De eene van hen vroeg. toen hij ter dood was veroordeeld, tijd om zijn zaken te regelen, maar de zeer sluwe tyran vroeg hem, in de meening dat hij er geen zou kunnen vinden, een borg te stellen, die in zijn plaats zou getroffen worden, als hij niet op tijd was. Wat van beide nu het voortreffelijkst is, zou ik niet weten. Het is beide voortreffelijk. De een vond een borg voor zijn dood, de ander bood zich aan. Daar nu de schuldige op zich wachten liet bij de terechtstelling, weigerde de borg. met kalm uiterlijk, den dood niet. Maar terwijl hij werd weggevoerd, keerde zijn vriend terug, bood hij zijn hoofd aan, boog hij den hals. Toen vroeg de tyran, vol bewondering dat dien filosofen de vriendschap dierbaarder was dan het leven, om zelf in vriendschap te worden aangenomen door hen, die hij veroordeeld had. Zoo groot was de aantrekkelijkheid der deugd, dat zij zelfs een tyran kon buigen!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaLofwaardig, zeker, maar minder dan in ons voorbeeld. Want daar waren het beiden mannen, hier was er een eene maagd, die nog wel eerst haar sexe overwon. Genen waren vrienden, dezen onbekenden (voor elkaar). Genen boden zich één tyran aan, dezen aan vele en in dit opzicht nog wreeder tyrannen, dat gene gespaard heeft en dezen gedood hebben. Bij genen was de een door de noodzaak gedwongen, bij dezen was het van weerszijden vrije wil. Ook hierin waren dezen wijzer, dat voor genen het doel van hun streven de gunst der vriendschap was, voor dezen de martelkroon; genen immers streden voor de menschen, dezen voor God. Daar we nu toch melding hebben gemaakt van dien vorst Evenals Cicero verwart...Evenals Cicero verwart Ambrosius hem hier met den tyran Dionysius van Syracuse., moge hier worden toegevoegd, wat hij van zijn goden dacht, opdat gij hen des te zwakker zult oordeelen, die hun eigen dienaren bespotten. Toen hij namelijk eens in den tempel van Jupiter was gekomen, beval hij het gouden gewaad. waarmee het afgodsbeeld omhangen was, af te nemen en hem een wollen om te hangen, zeggende, dat het gouden 's winters te koud was en 's zomers te zwaar. Zoo bespotte hij zijn god, met te meenen, dat die geen last of geen koude kon verdragen. Eveneens, toen hij esculaap met een gouden baard zag, beval hij dien weg te nemen, want hij noemde het ongepast, dat de zoon een baard droeg, terwijl zijn vader Apollo er nog geen had. Ook nam hij de gouden offerschalen af, die de afgodsbeelden vasthielden, onder voorwendsel, dat hij moest aannemen, wat de goden gaven, "want, zoo zeide hij, dat wenschen de menschen toch, dat zij van de goden mogen ontvangen wat goed is. Welnu, er is niets beter dan goud." Want als dat kwaad is, dan moeten de goden het niet hebben, maar is het goed, dan moeten de menschen het veeleer hebben, want die weten er gebruik van te maken. Zoo werden zij voor den mal gehouden, dat noch Jupiter zijn gewaad kon verdedigen, noch esculaap zijn baard, noch Apollo al volwassen begon te worden, noch al degenen, die goden worden genoemd, de schalen, die tij vasthielden, terug konden trekken, niet zoozeer uit vrees voor schuld aan diefstal maar uit gevoelloosheid. Wie zou dan hen nog vereeren, die zich niet kunnen verdedigen als goden, noch zich verbergen als menschen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar toen Jeroboam (1 Kon. 12, 25-13, 6)[b:1 Kon. 12, 25-13, 6], die allermisdadigste koning in den Tempel van onzen God de geschenken wegnam, die zijn vader daar had neergelegd, en boven het heilig altaar plengde voor de afgoden, verdorde zijn rechterhand, die hij hield uitgestrekt en zijn goden, die hij aanriep, zijn hem van geen nut geweest. Maar dan bekeerde hij zich tot God en vroeg vergiffenis en aanstonds werd zijn hand, die door de heiligschennis verdord was, door den waren godsdienst genezen. Zoo juist op tijd kwam het voorbeeld van goddelijke barmhartigheid en verontwaardiging, dat hem als offeraar terstond de rechterhand werd afgenomen, als boeteling vergiffenis werd verleend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 6.
Deze geschenken heb ik voor u, vrome maagden, bereid, schoon nog geen drie jaar bisschop, nog niet gevormd door praktijk, maar wel onderricht door uwe zeden. Wat voor praktijk toch kon zich vormen in den zoo korten tijd sinds onze opname in de Kerk? Als gij hier eenige bloemen ziet, neemt ze op als verzameld van den schoot van uw leven. Dit zijn geen voorschriften voor maagden, maar voorbeelden van maagden. De uitbeelding van uw deugd heeft ons woord hier geschilderd, het beeld van uw waardigen levenswandel ziet ge als door een spiegel van deze woorden weerkaatsen. Gij hebt mijn geest de schoonheid, voor zoover die er is, ingeademd, van u komt álle geur die var, dit boek uitgaat. En wijl er zooveel hoofden zooveel zinnen zijn: als er iets helders is in onze woorden, dat dan allen het lezen, iets gerijpts, dat de rijperen het keuren, iets eerbaars, dat het in de harten wortel schiete en de wangen doe blozen, iets bloemrijks, dat de bloeiende jeugd het niet afwijze. We moesten naar de liefde der bruid verwijzen, want er staat geschreven: Gij zult den Heer uwen God beminnen" (Deut. 6, 5)[b:Deut. 6, 5]. We moesten met enkele bruidsbloesems althans de lokken van onze rede tooien, want er staat geschreven: "klap in de handen en trippel met de voeten" (Ez. 6, 11)[b:Ez. 6, 11]. We moesten de eeuwige bruidskamer met rozen bestrooien. Ook bij de bruiloften van deze wereld wordt de bruid eerder toegejuicht dan gecommandeerd, opdat harde bevelen niet afstooten nog vóór de liefde, door kozen gekoesterd, tot bloei komt. Het sterke paard leert den klank liefhebben van de klap op den nek, opdat het den toom niet weigere; eer went het aan het vleiende woord dan aan de tucht van de zweep. Maar zoodra het den nek heeft gebogen onder den toom, dwingt de teugel, dringt de prikkel en de makkers trekken voort en de jukgenoot noodt uit. Zoo moest ook onze maagd eerst spelen het spel der heilige liefde, den gouden glans bewonderen van het hemelsch bruidsvertrek bij het eerste begin van den bruiloft en de deurposten bekroond zien met kransen van groen en van binnen de zoete klanken opvangen van het ruischende koor, opdat zij niet beangst zich zou onttrekken aan het juk des Heeren nog voor zij voor Zijn roepstem zich boog.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Kom dan hierheen van den Libanon, bruid, kom hierheen van den Libanon; ge zult voortgaan en ten einde komen" (Hoogl. 4, 8)[b:Hoogl. 4, 8]. Vaker toch moeten wij dit vers opnieuw zingen opdat zij althans de roepstem volge van de woorden des Heeren, als soms iemand menschenwoorden niet zou gelooven. Deze leering hebben wij niet uitgevonden, maar ontvangen; zoo toch leerde het de hemelsche leer van den mystieken zang: "Hij kusse mij met den kus van zijn mond, want beter dan wijn zijn uwe borsten en de geur van uwe zalven gaat alle reukwerken te boven, als uitgegoten balsem is uw naam" (Hoogl. 1, 1-2)[b:Hoogl. 1, 1-2]. Heel die lieflijke plaats klinkt naar spel, wekt jubel op, lokt liefde uit. "Daarom, zoo zegt hij, hebben de meisjes u bemind en u tot zich getrokken. Gaan wij achter den geur van zijn reukwerken aan. De koning heeft mij binnen zijn tent gevoerd" (Hoogl. 1, 3)[b:Hoogl. 1, 3]. Hij begon met de kussen om tot de tent te komen. En zij, zoo geduldig bij zwaren arbeid en oefening van deugd, dat zij de afsluiting kan openen met haar hand, naar den akker uitgaat, in de woningen vertoeft, ging toch eerst achter den reuk aan van zijn balsem. Weldra, als zij in de tent gekomen is, wordt (het beeld van) de balsem af gewisseld door (dat van) de torens; en zie tenslote waar het heengaat: "als er een muur is, zoo zegt hij, laten wij er dan zilveren torens op bouwen" (Hoogl. 8, 9)[b:Hoogl. 8, 9]. Die vermaak vond in kussen, bouwt nu al torens, opdat zij, omtorend door de kostbare transen der heiligen. niet enkel vijandige aanvallen te niet doe, maar ook veilige bolwerken bouwe van verheven verdiensten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- DERDE BOEK.
- Hoofdstuk 1 .
Daar wij in de twee vorige boeken verhaald hebben, wat wij te zeggen hadden, vrome zuster, is het nu· tijd om die voorschriften na te gaan van Liberius zaliger gedachtenis. Paus Liberius, 352 366. De...Paus Liberius, 352 366. De toespraak van Liberius, toen Ambrosius' zuster Marcellina den sluier aannam, zal hier wel enigszins vrij zijn weergegeven. Het is echter mogelijk, dat Marcellina en Ambrosius er een afschrift van bezaten. waarover ge met mij pleegt te spreken, opdat de rede welgevalliger zij naarmate de man heiliger is. Hij toch heeft gezegd, toen ge op het feest der Geboorte van den Zaligmaker bij (het graf van) den Apostel Petrus uw belijdenis van maagdelijkheid ook door verwisseling van kleederen beleed, - op welken dag had dat immers beter kunnen geschieden dan waarop de Maagd nakomelingschap verwierf? - terwijl er ook zeer vele godgewijde meisjes aanwezig waren, die onderling streden om uw gezelschap: Een goeden bruiloftsdag, mijne dochter, hebt gij begeerd. Ge ziet, hoe veel volk et is bijeengekomen voor den verjaardag van uw Bruidegom en niemand gaat ongespijsd heen. Hij is het, Die ter bruiloft genoodigd het water in wijn heeft veranderd. Het verheven mysterie der maagdelijkheid deelt Hij ook mee aan u, die tevoren onderworpen waart aan de nietige dingen van de stoffelijke natuur. Hij is het, Die met vijf brooden en twee visschen vierduizend menschen in de woestijn heeft gevoed. Hij had er meer kunnen voeden, als er toen al· meer geweest waren, die gevoed moesten worden. En nu heeft
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHij er meerderen tot uwe bruiloft geroepen, maar geen brood uit gerst wordt hier geboden, doch Zijn Lichaam uit den hemel. Vandaag is Hij wel naar den mensch als mensch geboren uit een Maagd, maar vóór alles is Hij voortgebracht door den Vader, zoodat Hij naar het lichaam op de Moeder wijst, naar Zijn macht op den Vader. Eengeborene op aarde, eengeborene in den hemel. God uit God, geboren uit de Maagd, gerechtigheid van den Vader, kracht van den Almachtige, Licht van Licht, niet ongelijk aan Die Hem voortbracht, niet verschillend in macht, niet aldus (met Hem) vereenigd. door uitbreiding of voortbrenging van het Woord. dat Hij met den Vader vermengd. maar zoo, dat Hij van den Vader krachtens voortbrenging onderscheiden is. Hij is uw Broeder. zonder Wien er niets in den hemel, in de zee of op aarde bestaat, het goede Woord des Vaders, Dat," zoo ze.gt hij, in den beginne was." Daar hebt ge Zijn eeuwigheid ... En het was, zegt hij, bij den Vader: daar hebt ge Zijn ongescheiden en van den Vader onaf scheidbare kracht. ,.En God was het Woord" (Joh. 1, 1)[b:Joh. 1, 1]: daar hebt ge Zijn Godheid; uit die korte samenvatting toch moet gij uw geloof putten. Bemin Hem. dochter, want Hij is goed. "Niemand immers is goed, tenzij God alleen" (Mc. 10, 18)[b:Mc. 10, 18]. Want als men er niet aan twijfelt, dat de Zoon God is en God is goed, dan kan men vanzelf ook niet betwijfelen, dat God de Zoon goed is. Bemin Hem, zeg ik. Hij is het, Dien de Vader voor den dageraad heeft voortgebracht als den Eeuwige, uit Zijn schoot liet voortkomen als Zijn Zoon, uit Zijn hart liet opwellen als het Woord. Hij is het, in Wien de Vader Zijn welbehagen heeft, Hij is de arm des Vaders, wijl Hij de Schepper van alles is, des Vaders Wijsheid, omdat Hij uit den mond van God voortkwam, de kracht des Vaders, omdat de volheid der Godheid lichamelijk in Hem woont. Hem heeft de Vader zoo zeer lief, dat Hij Hem in den schoot draagt aan Zijn Rechterhand plaatst zoodat Hij Hem de Wijsheid noemt, Zijn kracht erkent. Als dus Christus de kracht Gods is, was God dan ooit zonder kracht? Was soms ooit de Vader zonder Zoon? Als de Vader er altijd was, dan van zelf ook altijd de Zoon. Van den volmaakten Vader is Hij dus de volmaakte Zoon. Want wie afbreuk doet aan de kracht, doet afbreuk aan Hem wiens kracht het is. Voor ongelijkheid is, de volmaakte Godheid niet ontvankelijk. Bemin dus Hem, Dien de Vader bemint, verheerlijk Hem, Dien de Vader verheerlijkt, "want wie den Zoon niet verheerlijkt, verheerlijkt den Vader niet en wie den Zoon loochent. bezit ook den Vader niet." (Joh. 15, 23)[[b:Joh. 15, 23]] Dit wat het geloof betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 2.
Maar soms wekt de jeugd, al is het geloof ook veilig, bezorgdheid. Gebruik daarom maar weinig wijn, om wel de zwakheid van uw lichaam niet te verergeren, maar toch geen lust op te wekken, want beide ontvlammen die tegelijk: de wijn en de jeugd. Ook de teedere jeugd moet door vasten worden beteugeld en spaarzaamheid in spijs moet als met koorden de ongetemde begeerten bedwingen. De rede moge ze tot de orde roepen, de hoop ze kalmeeren, de vrees ze binden. Want wie zich niet weet te matigen, wordt als door ongetemde paarden voortgesleept, voortgewenteld, vertreden, verscheurd, verpletterd. Dat is, naar verhaald wordt, eens aan een jongeman overkomen om zijn liefde tot Diana. Het mythologisch verhaal...Het mythologisch verhaal omtrent Hippolytus, o.a. door Vergilius en Ovidius bezongen. Maar door dichterlijke leugens wordt dat verhaal nog aldus opgesmukt, dat Neptunus, door de smart van genoemden mededinger opgehitst, de paarden tot razernij zou gebracht hebben, opdat daarom zijn macht zou geroemd worden, dat hij den jongeling niet door kracht overwon, maar door bedrog misleidde. Daarom wordt ook jaarlijks een offerfeest voor Diana gevierd, waarbij dan een paard op haar altaren wordt geslachtofferd. En dan noemen ze haar een maagd, die hem vermocht te beminnen, die haar niet beminde, iets waarvoor zelfs publieke vrouwen zich plegen te schamen. Maar laten ze wat rij betreft aan hun fabel gewicht hechten, want, al is het ook allebei misdadig, het is toch nog minder erg, dat die jongeling zoozeer brandde van lief de voor die echtbreekster, dat hij erdoor omkwam, dan dat, zooals zij zelf beweren, twee goden wedijverden in echtbreuk, dat Jupiter de schande van zijn boeleerende dochter wreekte op den geneesheer van den echtbreker, omdat hij de wonden had verzorgd van hem, die in de bosschen met Diana overspel had bedreven, voorwaar een beste jageres, niet op wilde dieren maar op wellust, - maar toch ook op dieren, om hen naakt na te jagen. Laat hen dan aan Neptunus de macht toekennen over de razernij, om de misdaad te kunnen bewijzen van bloedschandige liefde. Laat hen aan Diana een rijk geven in de bosschen, waar zij woonde, om de echtbreuk te kunnen bevestigen die zij pleegde. Laat hen aan esculaap toekennen, dat hij een doode heeft opgewekt, als zij maar toegeven, dat hij, door den bliksem getroffen, niet ontkomen is. Laat hen aan Jupiter de bliksemschichten geven, die hij niet had, opdat zij moeten getuigen van de schande, die hij wel had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar keeren wij van de fabels op ons onderwerp terug: ook van alle spijzen, die de ledematen kunnen verhitten, meen ik dat men zuinig gebruik moet maken; vleesch immers lokt zelfs adelaars uit hun vlucht naar omlaag. Ook in u moge die inwendige vogel, waarvan wij lezen: "vernieuwen zal zich als een adelaar uw jeugd" (Ps. 102, 5)[b:Ps. 102, 5], in zijn snelle maagdelijke vlucht naar omhoog, de begeerte naar overmatig vleeschgebruik niet kennen. Vermijden moet men feestmaaltijden, danspartijen vluchten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 3.
Zelfs bezoeken wensch ik, dat de jongeren niet te dikwijls brengen, tenzij misschien bij verwanten of vriendinnen. Onder die verplichtingen immers slijt de schroomvalligheid, brutaliteit treedt te voorschijn, luid lachen klinkt op, de ingetogenheid verdwijnt, terwijl men hoffelijkheid voorwendt; een ondervrager niet antwoorden, vindt men kinderachtig, wél antwoorden een spel. Daarom heb ik liever dat een maagd te weinig dan te veel spreekt. Als toch aan de vrouwen bevolen wordt in de kerk zelfs over goddelijke dingen te zwijgen en thuis haar mannen maar te ondervragen, wat zullen we dan als voorzichtig beschouwen in maagden, in wie de ingetogenheid den leeftijd siert, de zwijgzaamheid een aanbeveling is voor haar kuischheid? Of is het soms een onbeduidend voorbeeld van eerbaarheid, dat Rebecca toen zij ter bruiloft kwam en haar bruidegom gezien had, den sluier nam, om niet eerder gezien te worden dan het huwelijk voltrokken werd? (Gen. 24, 65)[b:Gen. 24, 65] En die schoone maagd was zeker niet bezorgd voor haar schoonheid, maar voor haar eer. En Rachel dan! (Gen. 29, 11)[b:Gen. 29, 11] Hoe weende en weeklaagde zij, toen men haar een kus had ontstolen! En zij zou niet hebben opgehouden met weenen, als zij niet haar bloedverwant herkend had. Zoo onderhield zij eenerzijds de verplichting der eerbaarheid, maar schoot anderzijds niet te kort in gevoel van piëteit. Als tot den man gezegd wordt: "Sla uw oogen niet op een maagd, opdat zij u soms niet tot ergernis worde" (Sir. 9, 5)[b:Sir. 9, 5], wat moet men dan zeggen tot een gewijde maagd, die inwendig zondigt, als zij bemint. maar metterdaad. als zij bemind wordt? Het is een zaak van zeer groote deugd. te zwijgen, vooral in de kerk. Niets zal u ontgaan van den zin der goddelijke lessen, als gij uw oor ertoe nijgt maar uw stem onderdrukt. Laat geen. enkel woord uw mond ontsnappen, dat ge terug zoudt willen roepen, als ge niet veel vertrouwen hebt in uw gepraat. Heel wat zonde steekt er in veel praten. Tot den moordenaar is gezegd: "Gij hebt gezondigd. houd u stil!" opdat hij niet nog meer zou zondigen. Maar tot een maagd zou men moeten zeggen: "houd u stil, opdat gij niet zondigt. Maria immers "bewaarde", zooals wij lezen. "alles in haar hart" (Lc. 2, 19)[b:Lc. 2, 19], wat over haar Zoon werd gezegd. Zoo ook gij, wanneer iets wordt voorgelezen, waarin wordt aangekondigd dat Christus zal komen of aangetoond dat Hij gekomen is, wil dan niet met uw gebabbel in de rede vallen, maar richt daar uw geest op. Of is er wel iets onwaardigers dan dat de goddelijke woorden worden doorzoemd, zoodat zij niet gehoord, niet geloofd, niet begrepen worden, dat verward stemgeruisch rondom de heilige Geheimen klinkt, zoodat het gebed wordt gestoord, dat gestort wordt voor aller heil? De heidenen betoonen hun afgoden eerbied door te zwijgen. Daarvan wordt het volgende voorbeeld verhaald: terwijl Alexander, de koning der Macedoniërs, offerde, kreeg een barbarenjongen. die, het licht voor hem moest aansteken, vuur op zijn arm. maar al schroeide zijn lichaam, hij bleef onbeweeglijk en verried door geen zucht zijn smart, noch gaf hij blijk van pijn door stil geween. Zoo groot was in dien barbaarschen jongen de tucht van den eerbied, dat hij zijn natuur overwon. En toch vreesde hij geen , goden, die er niet waren, maar (slechts) een koning. Wat zou hij ook hen vreezen, die hetzelfde vuur zou gebrand hebben, als het hen geraakt had? Hoeveel beter nog is het, dat aan een jongeling aan het gastmaal van zijn vader verboden werd, door onbeschaamde wenken ontuchtige liefde te verraden? Onthoud gij u dan, o maagd van God, bij het heilig mysterie, van zuchten, schrapen met de keel, hoesten en lachen. Wat gene aan een maaltijd kon, kunt gij dat niet bij het mysterie? Vooreerst openbare zich de maagdelijkheid door het zegel van de stem, de eerbaarheid sluite den mond, de godsvrucht sluite zwakheid uit, goede gewoonte vorme de natuur. Haar waardig optreden moge mij een maagd doen herkennen, door opvallende eerbaarheid, beheerschten gang. ingetogen gelaat en de kenteekenen der deugd mogen vooruitgaan als voorboden der kuischheid. Dat is geen voldoende geloofwaardige maagd, naar wier stand men nog vraagt als men haar ziet. Het is een bekend verhaal, dat een priester Gods, toen veelvuldig kikkergekwaak in de ooren der godvruchtige menigte drong, hen beval te zwijgen en eerbied te betoonen tegenover de gewijde rede en dat toen plotseling het rondom klinkend lawaai verstomde. De poelen zwijgen dus en dan zouden de menschen niet zwijgen? Zelfs het redelooze dier herkent uit eerbied, wat hij van nature niet kent; maar de menschen zijn zóó onbescheiden, dat velen niet datgene weten te schenken aan de godsvrucht des harten, wat zij over hebben voor het genot der ooren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 4.
Dat heeft Liberius zaliger gedachtenis tot u gesproken. Wat bij anderen verhevener is dan hun woorden, dat is bij u geringer dan uw voorbeelden Anderen spreken minder...Anderen spreken minder waardig dan het hun levensstaat past, maar gij overtreft door uwe voorbeelden de deugdzaamheid, die men van uw staat verwacht.; zoo hebt gij alle tucht niet enkel door uw deugd geëvenaard, maar door uw streven overtroffen. Immers, wij rekenen het vasten onder de geboden, maar slechts op enkele dagen, gij echter verveelvuldigt dagen en nachten en brengt zoo ongetelde tijden door zonder voedsel en als men u soms vraagt, wat spijs te nemen en even het Heilige Boek te laten rusten, antwoordt gij aanstonds: "Niet van brood alleen leeft de mensch maar van alle woord Gods" (Mt. 4, 4)[b:Mt. 4, 4]. Bij de maaltijden zelf gebruikt ge slechts heel gewone spijs, opdat walg voor het eten naar vasten zou doen verlangen, uw drank is bronwater, ge weent bij het bidden, ge slaapt boven den Bijbel. Dat kon goed zijn in jongere jaren, zoolang de geest zich nog ontwikkelde tot de rijpheid van lateren leeftijd, maar zoodra de maagd den triomf heeft behaald over het getemde lichaam, moet de inspaning worden gematigd, opdat zij behouden blijve als leermeesteres voor den wat jeugdiger leeftijd. Snel breekt de wijnstok van den gevorderden leeftijd onder den last der vruchtbare ranken, als hij niet bijtijds wordt tegengehouden. Zoolang hij echter nog groeit, mag hij zich weelderig ontwikkelen, maar als hij ouder wordt, moet hij besnoeid worden, opdat hij geen bosch van wilde takken worde of door te veel vruchten uitgeput sterve. Een goed landman bedwingt zijn besten wijnstok door de aarde rondom om te spitten en hij beschut hem tegen de koude en zorgt, dat hij niet door de middagzon verzengd wordt. Zijn akker bewerkt hij ook bij toerbeurt of als hij hem niet braak kan laten, wisselt hij verschillende zaden af, opdat de bodem door afwisseling van gewassen zich herstelle. Bezaai zoo ook gij, bedaagde maagd, de heuvels van uw hart met verschillende zaden, nu eens met spaarzamer spijzen, dan weer met matiger vasten, met lezing, arbeid of gebed, opdat de afwisseling van moeite rust verschaffe. Niet heel de akker brengt korenoogst voort. Hier rijzen uit het heuvelland wijnbergen op, daar kunt ge purperroode olijven zien, daar weer welriekende rozen. Vaak ook laat de stoere landman den ploeg in den steek en krabt met den vinger den bodem, om er bloembollen in te leggen en met zijn ruwe handen, waarmee hij de weerspannige vaarzen tusschen de wijnbergen ment, drukt hij zacht de uiers der schapen. Des te beter immers is de akker, hoe talrijker de vrucht. Volg ook gij dus het voorbeeld van den goeden landman, door niet met ononderbroken vasten als met diepsnijdende ploegschaar den bodem van uw hart te splijten. In uwe hoven bloeie de roos der kuischheid, de lelie van den geest en uw violenbed drinke van de verkwikkende bron van het heilige Bloed. In heel deze schildering van...In heel deze schildering van het landleven volgt Ambrosius vaak woordelijk de Georgica van den dichter Vergilius. Een spreekwoord luidt: wat ge langdurig wilt doen, moet ge van tijd tot tijd laten. Er moet iets zijn, wat in. de dagen van de groote Vasten (Quadragesima) wordt toegevoegd, maar zóó dat niets uit vertoon geschiedde maar uit devotie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVeelvuldig gebed bevele ons ook aan God aan. Als toch. de profeet zegt: ,zevenmaal per dag heb ik U lof gezegd" (Ps. 118, 164)[b:Ps. 119, 164], ofschoon hij in beslag werd genomen door de nooden van zijn Rijk, wat moeten wij dan doen, die lezen: Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt?" (Mt. 26, 41)[b:Mt. 26, 41] Zeker moeten wij plechtige gebeden met dankzegging opdragen; als wij uit den slaap opstaan, als we uitgaan, als we ons opmaken om spijs te nuttigen, als we die genuttigd hebben en op het uur van den wierook (Lc. 1, 10: En heel de menigte van het volk was buiten In gebed op het uur van den wierook.)[[b:Lc. 1, 10]] en tenslotte als we naar bed gaan. Maar ik wensch ook, dat ge zelfs in bed veelvuldig psalmen afwisselt met het Gebed des Heeren, hetzij wanneer ge wakker wordt, hetzij alvorens de slaap uw lichaam verstijft, opdat de slaap u bij het eerste begin van de rust reeds vrij vinde van wereldsche beslommeringen, in overweging van goddelijke dingen. Ook hij tenslotte, die den naam zelf van de filosofie heeft uitgevonden, liet dagelijks, voor hij naar bed ging, een fluitspeler wat weeke wijsjes spelen, om de door wereldsche zorgen beangste harten te kalmeeren. Dit wordt door Cicero van...Dit wordt door Cicero van Pythagoras verhaald. Maar hij, evenals degene die zijn bovenlichaam wascht Zinspeling op een vers uit...Zinspeling op een vers uit het blijspel Phormio van den dichter Terentius., verlangde tevergeefs het wereldsche met het wereldsche te wasschen; want hij besmeurde zich nog meer met modder, door een geneesmiddel te zoeken in het genot. Laten wij echter de besmeuring der aardsche ondeugden afwasschen en het binnenste van ons hart van alle bevlekking des vleesches reinigen. Ook de geloofsbelijdenis moeten wij in 't bijzonder als het zegel van ons hart dagelijks in de vroege morgenuren opzeggen Daartoe spoort ook S. Augustinus aan in zijn preek voor de doopleerlingen. (Migne, PL 40, 627).[[880]] en daartoe ook moeten wij, als wij ergens bang voor zijn. in den geest onze toevlucht nemen. Wanneer toch is een krijgsman in zijn tent, een strijder in den strijd, zonder den krijgseed?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 5.
Wie zou niet erkennen. dat ook dit tot onze leering is gesproken. wat de heilige prof.eet zegt: "Elke nacht zal ik mijn bed besproeien, besproeien met tranen mijn legerstede?' (Ps. 6, 7)[b:Ps. 6, 7] Want hetzij ge dat bed letterlijk opvat, dan geeft hij te kennen dat er zulk een overvloed van tranen moet vergoten worden, dat het bed gewasschen wordt, het dek besproeid door het geween van den smeekeling het geween in het tegenwoordige is immers het loon in de toekomst, want: "Zalig gij, die weent, want gij zult lachen" (Lc. 6, 21)[b:Lc. 6, 21], hetzij we het profetisch woord van het lichaam verstaan, dan wasschen wij de zonden van het lichaam af met de tranen der boetvaardigheid. Salomon toch maakte zich een bed uit hout van den Libanon; zijn zuilen waren van zilver, zijn hoofdeinde van goud, zijn rug een mozaïek van edelsteenen. Wat is dat bed anders dan de gestalte van ons lichaam? Want met de edelsteenen wordt de lucht verbeeld in de gedaante. van den bliksem, met het goud het vuur, het water met het zilver, de aarde met het hout en uit die vier elementen bestaat het menschelijk lichaam, waarin onze ziel rust, als zij niet op ruwe bergen, op dorren bodem rusteloos toeft, maar boven de gebreken verheven door het hout gesteund rust. Daarom zegt ook David: "De Heer verleene hem hulp op het bied van zijn smart" (Ps. 40, 4)[b:Ps. 40, 4]. Want wat kan dat bed van smart zijn, daar toch geen pijn kan hebben wat geen gevoel heeft? Maar een lichaam van smart is als een lichaam des doods. "Ik rampzalige mensch, wie zal mij bevrijden van het lichaam van dezen dood?" (Rom. 7, 24)[b:Rom. 7, 24] En daar we een vers hebben aangehaald, waarbij we melding maakten van het Lichaam des Heeren en het misschien iemand in verwarring zou kunnen brengen als hij leest, dat de. Heer een lichaam van smart heeft aangenomen, herinnere hij zich dat Hij getreurd en geweend heeft om den dood van Lazarus en in Zijn lijden gewond is en dat uit die wonde water en bloed is gevloeid en dat Hij den geest heeft gegeven. Het water heeft betrekking op het Doopsel, het bloed op den (eucharistischen) Drank, de geest op de Verrijzenis. Want de ééne Christus is voor ons hoop, geloof en liefde; hoop in de Verrijzenis, geloof in het Doopsel, liefde in het Sacrament. Maar gelijk Hij het lichaam van smart heeft aangenomen, zoo heeft Hij ook Zijn legerstede in Zijn Lijden omgewoeld, daar Hij het heeft aangewend ten bate van het menschelijk vleesch. Want door Zijn Lijden is de zwakheid weggenomen en de dood door Zijn Verrijzenis. En toch moet gij treuren over de wereld, maar u verheugen in den Heer, bedroefd tot boetvaardigheid, blijde om de genade, al heeft ook de leeraar der volkeren met een heilzaam gebod voorgeschreven "te weenen met de weenenden en zich te verheugen met die zich verheugen" (Rom. 12, 15)[b:Rom. 12, 15]. Wie echter al wat er van de kwestie overblijft volkomen wil ontwarren, die neme zijn toevlucht tot denzelfden Apostel, want hij zegt: al wat gij zult doen in woord of daad, doet het in den Naam van onzen Heer Jesus Christus, dank zeggend aan God door Hem" (Kol. 3, 17)[b:Kol. 3, 17]. Laten wij dan al onze woorden en werken terugbrengen tot Christus, Die het leven verwekte uit den dood, het licht schiep uit de duisternis. Want gelijk het zieke lichaam nu eens door warmer, dan weer door kouder compressen wordt verkwikt en afwisseling van geneesmiddelen, als het maar volgens voorschrift van den dokter geschiedt, heilzaam is, maar als het tegen diens voorschrift wordt aangewend, de kwaal verergert, zoo is al wat door onzen geneesheer Christus wordt voorgeschreven een heilmiddel, al wat eigenmachtig wordt aangewend een nadeel. De vreugde moet derhalve voortkomen uit goed geweten, niet uit ongebonden smulpartijen of bruiloftsklanken; daar toch is de eerzaamheid niet veilig, het genoegen verdacht, waar tenslotte de dans de vreugde vergezelt. Daarvan wensch ik, dat de maagden Gods verwijderd blijven. "Niemand immers, zooals een zekere profane leeraar gezegd heeft, danst nuchter, tenzij hij gek is" Cicero, pro Murena 6, 13Cicero, pro Murena 6, 13. Als dan volgens wereldsche wijsheid het dansen óf uit dronkenschap óf uit krankzinigheid voortkomt, welk een waarschuwing moeten wij dan niet gelooven dat er in de voorbeelden ligt van de Heilige Schrift, daar toch Joannes, de voorbode van Christus, op verlangen van een danseres onthoofd, een voorbeeld verschaft, hoe de verlokking van den dans meer schade berokkende dan de uitzinnigheid van onheilige woede?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 6.
Daar men nu aan de gedachtenis van zulk een man niet zoo maar terloops mag voorbij gaan. zoo is het van belang, dat wij er onze aandacht op vestigen, wie er gedood werd en door wie en waarom, hoe en wanneer. Door overspeligen wordt een rechtvaardige gedood en door schuldigen wordt de straf toegepast op den rechter over hun halsmisdaad. Verder wordt een danseres beloond met den dood van een Profeet. Tenslotte, iets wat zelfs barbaren plachten te verafschuwen, tusschen de gangen van een gastmaal wordt het bevel uitgevaardigd om de wreedheid te voltooien en van gastmaal naar kerker, van kerker naar gastmaal wordt een dienst onderhouden van verderfelijke schanddaad. Wat al misdaden in één vergrijp! Met vorstelijke weelde wordt een verderfelijk gastmaal aangericht en als men heeft nagegaan dat een grooter gezelschap dan gewoonlijk bijeen is gekomen, wordt de dochter des konings uit de verborgenheid der binnenkamers ontboden en voor het aanschijn der gasten gevoerd om te dansen. Wat anders ook kon zij leeren van een echtbreekster dan verlies van haar schaamtegevoel? Of is er iets verlokkender voor de lusten dan met losbandige bewegingen de verborgen ledematen te ontblooten, die ofwel de natuur heeft verborgen of de tucht heeft omsluierd, lonken met de oogen, den hals draaien, de haren laten golven?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVandaar komt men terecht als vanzelf tot beleediging der godheid. Want wat kan daar nog voor schroomvalligheid zijn, waar gedanst, getrappeld, geklapt wordt? Toen zeide de koning; zoo staat er, verrukt tot het meisje, dat zij van den koning kon vragen wat zij maar wilde. Dan zwoer hij dat hij zelfs de helft van zijn rijk zou afstaan, als zij dat vroeg. Zie, hoe de wereldlingen zelf oordeelen over hun wereldsche macht. dat voor een dans zelfs een rijk wordt geschonken! Maar het meisje, door haar moeder vermaand, eischte dat haar op een schaal het hoofd van Joannes zou worden gebracht. Dat er gezegd wordt: ,,De koning werd bedroefd" (Mt. 14, 9)[b:Mt. 14, 9], beteekent niet berouw van den koning, maar bekentenis van zijn ongerechtigheid, wat bij het goddelijk oordeel gewoonlijk geschiedt. dat namelijk zij die goddelooze dingen deden zichzelf door eigen bekentenis veroordeelen. "Maar vanwege de dischgenooten" (Mc. 6, 26)[b:Mc. 6, 26], heet het. Wat kon er onwaardiger zijn, dan dat hij bevel gaf een moord te plegen, om niet aan zijn dischgenooten te mishagen? "En om wille van zijn eed", zegt de Schrift (Mc. 6, 26)[b:Mc. 6, 26]. O, wat een nieuw soort godsvereering! Dan had hij beter meineed kunnen doen. Daarom beveelt de Heer ook niet ten onrechte in het Evangelie, niet te zweren, opdat er geen reden zij tot meineed, geen noodzaak tot misdaad. Opdat dus een eed niet geschonden zou worden, wordt een onschuldige verslagen. Ik weet niet, wat ik het eerst moet verafschuwen. Meineeden van tyrannen zijn nog eerder te verdragen dan eeden. Wie zou, als hij van het gastmaal naar den kerker zag ijlen, niet meenen, dat er bevolen was den profeet te bevrijden? Wie zou. vraag ik u, als hij gehoord had, dat het de verjaardag van: Herodes was, een feestelijk gastmaal, dat aan het meisje de keuze was gegeven te kiezen wat zij wilde, niet meenen dat er iemand gezonden werd om Joannes in vrijheid te stellen? Wat heeft wreedheid met- genot fte maken, wat genoegen met begrafenis? De profeet wordt ter terechtstelling gesleurd, tijdens een gastmaal, krachtens bevel aan den maaltijd gegeven. een bevel waardoor hij niet eens zou wenschen te worden vrijgesproken. Met het zwaard wordt hij gedood, zijn hoofd op een schotel aangedragen. Dat gerecht was men aan de wreedheid/verschuldigd. opdat de wildheid, door de overige spijten niet verzadigd, daarvan zou eten. Beschouw; allerwreedste koning, dit schouwspel. uw feestmaal /waardig! Strek uw rechterhand uit, opdat er niets 'aan uw wreedheid ontbreke, opdat d stroomen van het heilig bloed tuschen uw vinr,e1s vioeien. En daar uw honger door de- spijzen niet kon verzadigd worden, de dorst van uw ongehoorde wreedheid niet gelescht door de bekers; drink dan het bloed dat daar vloeit uit de nog open aderen vam' het afgehouwen hoofd. Kijk naar die nogen, tot in den dood getuigen van uw misdaad, maar zich afwendend van den aanblik der genietingen. Die oogen sluiten zich, niet zoozeer door den dood gedwongen als uit afschuw voor de weelde. Die gulden mond, nu bloedeloos, waarvan gij het vonnis niet kondt verdragen, zwijgt en boezemt toch nog vrees in. De tong echter, die ook na den dood den dienst van den levende. blijft vervullen, veroordeelt, zij het met trillende beweging, nog uw overspel. Dat hoofd wordt naar Herodias gebracht: zij is blij. zij jubelt, als of zij aan een misdaad is ontsnapt, omdat zij den rechter heeft gedood. Wat zegt gij wel. vrome vrouwen? Ziet ge. wat ge uw dochters moet leeren, wat afleeren? Zij danse, maar zij is dan ook de dochter van een overspelige vrouw. Zij echter, die eerbaar is, die kuisch is, onderrichte haar dochters in den godsdienst, niet in het dansen. En gij, waardige en verstandige mannen, leert de eetgelagen van verfoeilijke mannen vermijden; zooals de gastmalen der goddelozen. zoo zal hun oordeel zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Hoofdstuk 7.
Terwijl ik reeds de zeilen span voor het slot van mijn toespraak Dit beeld is ontleend aan...Dit beeld is ontleend aan Cicero, Tuscul. IV, 5., brengt ge mij terecht op het idee, vrome zuster, wat te denken is van de verdiensten van hen, die zich van een hoogte hebben neergestort of in een rivier verdronken, om niet in de handen van vervolgers te vallen, terwijl toch de heilige Schrift den Christen verbiedt zichzelf geweld aan te doen. Nu hebben we juist omtrent maagden die zich in noodtoestand bevinden een duidelijke uitspraak, daar er een voorbeeld is van zoo'n marteldood. De heilige Pelagia vgl. Ambrosius ep. 37, 38.-...vgl. Ambrosius ep. 37, 38.- S. Joannes Chrysostomus heeft deze martelares in twee preeken verheerlijkt. leefde eens in Antiochië als meisje van nauwelijks vijftien jaar, zuster van maagden en zelf maagd. Op het eerste sein der vervolging was zij thuis opgesloten. maar toen zij zich omringd zag van belagers van het geloof of de deugd, terwijl zij wegens afwezigheid van haar moeder en zusters zonder eenige bescherming was, maar temeer vervuld van God, sprak zij: "Wat te doen, gevangen maagdelijkheid, als gij niet voor uzelve zorgt? Ik verlang, maar vrees tegelijk, te sterven, want hier geldt het niet den dood te aanvaarden, maar toe te brengen. Sterven wij, als het mag, of als men meent dat het niet mag, sterven wij toch! God wordt door dit middel niet beleedigd en het geloof neemt het verkeerde van de daad weg. Zeker, als wij de beteekenis van het woord nagaan, wat is dan de ware wilskracht? Dat is veeleer wilskracht: willen sterven en niet: kunnen sterven. Wij vreezen ook niet voor de moeilijkheid. Wie toch is er, die wil sterven en het niet zou kunnen, terwijl er toch zoo gemakkelijke wegen tot den dood zijn. Als ik mij omlaag stort, zal ik die heiligschennende altaren verbrijzelen en den ontstoken offerhaard met mijn bloed uitblusschen. Ik ben niet bang, dat mijn hand zou tekortschieten en den slag niet toebrengen of dat mijn gemoed van smart zich eraan zou onttrekken. Geen zonde zal ik voor mijn vleesch overlaten, noch zal ik vreezen dat er geen zwaard zal zijn. We kunnen sterven door onze eigen wapenen, wij kunnen ook sterven buiten toedoen van den beul in moeders schoot." Men verhaalt, dat zij zich het hoofd tooide, een bruiloftskleed aantrok, zoodat men zou meenen dat zij niet in den dood maar tot den bruidegom ging. Doch zoodra de verfoeilijke vervolgers zich de prooi der kuischheid zagen ontgaan, begonnen zij naar de moeder en de zusters te zoeken. Doch dezen bereikten reeds in geestelijke vlucht het vrije veld der kuischheid, toen zij, hier door de aandringende vervolgers, ginds door de stroomende rivier in den rug, van de vlucht afgesloten, maar ingesloten tot (verwerving van) de zegekrans, zeiden: "Wat zouden wij vreezen? Zie, hier is water; wie belet ons gedoopt te worden?" (Hand. 8, 36)[[b:Hand. 8, 36]] Ook dit is een Doopsel. waarna niemand kan zondigen. Ook dit een Doopsel, waardoor de· zonden worden vergeven, het Rijk wordt verworven. Moge het water ons opnemen, dat wedergeboorte pleegt te schenken, moge het water ons opnemen, dat maagden kweekt, moge het water ons opnemen, dat den hemel opent, de zwakken beschermt, den dood verbergt, martelaren maakt. U, Schepper der dingen, bidden wij, o God, dat zelfs de stroom onze van den geest ontdane lichamen niet uiteendrijve, de dood in de begrafenis ons niet scheide, wier liefde het leven niet gescheiden heeft. Eén zij onze standvastigheid, één onze dood, één onze begrafenis." Zoo spraken zij en schortten hun gewaad een weinig op, zoodat zij de eerbaarheid beschermden zonder het voortgaan te beletten en met ineengestrengelde handen als voerden zij den reidans, schreden zij voort tot midden in het stroombed; waar de strooming het sterkst, de diepte het steilst was, daar wendden zij haar schreden heen. Geen van haar trok den voet terug. geene hield haar schreden in, geene tastte waar zij haar stap zou zetten, bang wanneer zij vasten bodem voelden, teleurgesteld door een doorwaadbare plek, blijde om het diepe. Daar kon men de vrome moeder zien, . hoe zij met vasten greep de handen vasthield, vol vreugde om haar lievelingen, maar bang om te vallen opdat de stroom haar toch maar niet haar dochters zou ontrukken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Deze offeranden. Christus, offer ik U als behoedster der kuischheid, leidsters van mijn tocht, gezellinnen van mijn lijden." Maar wie zou zich nog met reden verwonderen over zulk een standvastigheid bij haar leven, daar zij ook in den dood den onbeweeglijken stand van haar lichamen behielden? Geen lijk heeft het water ontbloot, noch heeft de snelle loop van den stroom het meegesleurd. Ja, de heilige moeder volhardde, ofschoon buiten bewustzijn, in de liefdevolle omarming, en maakte den vromen band, dien zij geknoopt had, ok in den dood niet los. Want die zij vereenigd had ter martelie, eischte zij ter begrafenis voor zich op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar waartoe zou ik mij van vreemde voorbeelden bedienen tegenover u, mijne zuster, die gevormd zijt door de inspireerende opvolging van erfelijke· kuischheid, op u overgegaan van een verwante martelares. De H. Soteris, oudtante van...De H. Soteris, oudtante van Ambrosius en Marcellina stierf hoogstwaarschijnlijk in 304 den marteldood. Ambrosius gedenkt haar eveneens vol lof in zijn: Exhortatio virginitatis 12, 82. Vanwaar toch hebt gij geleerd, daar gij niemand had van wien gij kondt leeren, buiten verblijvend, zonder maagdelijke gezellin. zonder geestelijken leermeester? Gij zijt dus niet zoozeer leerlinge geweest, wat zonder leermeester niet mogelijk is, maar erfgename van de deugd. Hoe zou het ook kunnen, dat de heilige Soteris uw geest niet had gevormd, terwijl zij uw geslacht heeft gevormd? Zij heeft, ten tijde der vervolging, onder smaad als slechts slaven ondergaan tot het toppunt van het lijden gevoerd, zelfs haar gelaat, dat bij de kwellingen van geheel het lichaam toch vrij pleegt te blijven van oneer en de folteringen veeleer aanschouwt dan ondergaat, den beul aangeboden, dapper en geduldig, zoodat, toen zij haar teedere wangen ter foltering bood, de beul eer van het slaan bezweek dan dat de martelares voor het onrecht week. Haar gelaat wendde zij niet af, haar mond bewoog zij niet, geen traan vergoot zij als door lijden verwonnen. Tenslotte heeft zij, na de andere soorten van straffen te hebben overwonnen, het zwaard gevonden waarnaar zij verlangde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 9
Open uitgebreid overzichthttps://beta.rkdocumenten.nl/toondocument/8884-de-virginibus-nl