Waarheen is je liefste (Hooglied 6, 1-3)
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Waarheen is je liefste (Hooglied 6, 1-3)
Homilieën over het Lied der liederen
Gregorius van Nyssa
394
Kerkelijke schrijvers - Homilieën
1989, Thabor - Brugge
14 januari 2026
19 januari 2026
9794
nl
Referenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
- Inhoud
- Hooglied, 6,1 (5,17) Mooie vrouw, waar is je lief naar toe gegaan? Waarnaar keek je lief en waar zullen we hem samen met jou gaan zoeken?
6, 2 (6, 1) mijn lief ging zijn tuin in, naar schalen met reukwerk, om in de tuin zijn schapen te weiden en lelies te plukken.
6, 3 (6,2) Ik ben van mijn lief en mijn lief is van mij, hij die zijn schapen weidt tussen de lelies.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWIE LEIDT ONS NAAR DE HEER?
Van de apostel Filippus wordt gezegd dat hij afkomstig was van de stad van Andreas en Petrus (Joh. 1, 44)[b:Joh. 1, 44]. Het schijnt me een aanbeveling stadsgenoot te zijn van de broers die reeds vooraan in het Evangelie bewonderd worden om wat met hen gebeurde. Toen de Doper het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt, had aangewezen (Joh. 1,29)[b:Joh. 1,29], had Andreas zelf het mysterie vermoed. Hij ging de Aangewezene achterna en kwam te weten waar Hij verbleef. Daarna verkondigde hij zijn eigen broer het goede nieuws dat Hij er was, die door de profeten was aangekondigd. Die broer nu geloofde wat hij hoorde zeggen en sloot zich dadelijk van ganser harte aan bij het Lam. Door verandering van zijn naam vergoddelijkte de Heer hem, want in plaats van Simon begon hij Petrus te heten en te zijn (Joh. 1, 37-42)[b:Joh. 1, 37-42].
Van de apostel Filippus wordt gezegd dat hij afkomstig was van de stad van Andreas en Petrus (Joh. 1, 44)[b:Joh. 1, 44]. Het schijnt me een aanbeveling stadsgenoot te zijn van de broers die reeds vooraan in het Evangelie bewonderd worden om wat met hen gebeurde. Toen de Doper het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt, had aangewezen (Joh. 1,29)[b:Joh. 1,29], had Andreas zelf het mysterie vermoed. Hij ging de Aangewezene achterna en kwam te weten waar Hij verbleef. Daarna verkondigde hij zijn eigen broer het goede nieuws dat Hij er was, die door de profeten was aangekondigd. Die broer nu geloofde wat hij hoorde zeggen en sloot zich dadelijk van ganser harte aan bij het Lam. Door verandering van zijn naam vergoddelijkte de Heer hem, want in plaats van Simon begon hij Petrus te heten en te zijn (Joh. 1, 37-42)[b:Joh. 1, 37-42].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAbraham en Sara kregen van de Heer de zegen van hun namen pas na lange tijd en nadat de Heer hen dikwijls was verschenen. Door hun naam te veranderen koos de Heer hem tot vader en haar tot vorstin (Gen. 17)[b:Gen. 17]. Zo ook werd Jakob pas geschikt om Israël te heten en om machtig te zijn als Israël, toen hij een hele nacht had gevochten (Gen. 32, 29)[b:Gen. 32, 29]. De grote Petrus echter ontving zijn begenadiging niet geleidelijk aan. Tegelijkertijd luisterde hij naar zijn broer, geloofde volmaakt in het Lam, groeide uit tot rots en werd Petrus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaFilippus nu was een waardige stadsgenoot van deze grote mannen. Omdat hij een vondst was van de Heer, - het Evangelie zegt dat Jezus Filippus vindt-, werd hij tot volgeling van het Woord uitgekozen, toen Hij zei: "Volg mij" (Joh. 1, 43)[b:Joh. 1, 43]. En toen hij het Woord werkelijk dicht genaderd was, trok hij als een lamp het Licht naar zich toe, omstraalde Natanaël en gaf de fakkel van het ontzagwekkende mysterie door met de woorden: "Degene over wie Mozes en de profeten geschreven hebben, Hem hebben wij gevonden: Jezus uit Nazaret in Galilea" (Joh. 1, 44-45)[b:Joh. 1, 44-45]. Maar Natanaël reageerde voorzichtig op dit goede nieuws, want het mysterie van de Heer was door de profeten nauwkeurig beschreven. Hij wist dat God zijn verschijning in het vlees in Betlehem zou beginnen en dat Hij Nazareër genoemd zou worden, omdat Hij lange tijd in Nazaret zou wonen. Met deze beide gegevens hield Natanaël rekening in zijn reactie. Hij wist dat in Betlehem: de stad van David, de geboorte naar het vlees beschikt was. Daar moest het mysterie zich voltrekken van de grot, de luiers en de kribbe. Hij wist ook dat Galilea eens "plaats van heidenen" genoemd zou worden door het Woord, dat zo graag bij hen verbleef. Daarom sloot hij zich aan bij hem die het licht der kennis op hem liet schijnen en zei: "Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan komen?". Toen werd Filippus zijn gids naar de genade, want hij zei: "Kom dan kijken". Door deze woorden verliet Natanaël de vijgenboom van de Wet, waarvan de schaduw de deelname aan het licht belemmerd had, en greep Hem vast die de bladeren van de vijgenboom liet verdorren, omdat hij niet vruchtbaar was in goede werken. Daarom wordt dan ook door het Woord getuigd dat hij een echte Israëliet is, geen bastaard, want door zijn eerlijke keuze bewees hij het echte kenmerk van de aartsvaders te bezitten. De Heer zegt immers: "Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is" (Joh. 1, 46-47)[b:Joh. 1, 46-47].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat de bedoeling is van deze uiteenzetting in het begin van deze preek, is zeker duidelijk voor de toehoorders die al ingewijd zijn in deze stof, voor zover we het Lied der liederen in volgorde behandeld hebben. Want Andreas vond door het woord van Johannes de weg naar het Lam. Natanaël werd door Filippus bij het Licht gebracht en als hij buiten de schaduw komt, waarmee de Wet hem omgaf, is hij in het werkelijke licht (Joh. 1, 48-51)[b:Joh. 1, 48-51] Op dezelfde manier gebruiken de jonge meisjes de volmaakt mooie ziel als gids om het goede te vinden waarop ze attent gemaakt werden. Ze zeggen tegen haar: "Mooie vrouw, waar is je Lief naar toe gegaan? Waarnaar keek je Lief en waar zullen we gem samen met jou gaan zoeken?" (Hoogl. 6, 1)[b:Hoogl. 6, 1]. De maagdelijke zielen stellen de leermeesteres hun vragen in logische orde. Want eerst spraken ze over wat Hij was en stelden de vraag, waarin ze dit punt aanraakten: "Wie is je Lief, mooie vrouw?" (Hoogl. 5, 9)[b:Hoogl. 5, 9]. Toen ze de zinnebeeldige beschrijving hadden gehoord waarin gezegd werd dat Hij wit en vuurrood was en waarin Degene die gezocht werd verder naar zijn gestalte werd beschreven, toen vroegen ze naar zijn verblijfplaats. Daarom zeggen ze: "Waar is je Lief naar toe gegaan, en waarnaar keek Hij uit?" (Hoogl. 6, 1)[b:Hoogl. 6, 1]. Hun bedoeling is om, als ze zijn verblijfplaats kennen, ter aanbidding naar de plaats te gaan waar zijn voeten stonden en als ze dan weten in welke richting Hij uitkeek, zelf die richting uit te gaan, opdat zijn glorie ook hun zou verschijnen op de plaats waar zijn verschijnen redding betekent voor hen die naar Hem schouwen, zoals de Profeet zegt: "Laat ons uw gelaat zien en wij zullen gered worden" (Ps. 80, 4)[b:Ps. 80, 4].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe leermeesteres volgt Filippus na die zei: "Kom kijken", want ze legt alles uit wat nodig is om met de Beminde in contact te komen. Het "kijken" waar Filippus het over had, volgt ze na door te laten zien waar de Gezochte is en waar Hij naar kijkt. Ze zegt: "Mijn Lief ging zijn tuin in, naar schalen met reukwerk" (Hoogl. 6, 2)[b:Hoogl. 6, 2]. Tot zover duidt ze aan waar Hij is; daarna toont ze wat Hij ziet en waarnaar Hij kijkt, wanneer ze zegt: "Om in de tuin zijn schapen te weiden en lelies te plukken" (Hoogl. 6, 2)[b:Hoogl. 6, 2]. Deze zinnebeeldige taal verklaart de jonge meisjes waar Hij is en waarnaar Hij kijkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDE TUINMAN EN ZIJN TUIN
Het is wel nodig het nut van dit door God geïnspireerde Schriftwoord door een geestelijke bezinning beter te leren kennen. Wanneer we dan luisteren naar de woorden: "Mijn Lief ging zijn tuin in", leren we het mysterie van het Evangelie kennen. Ieder van deze woorden geeft ons hieromtrent uitleg. God die in het vlees verscheen, stamde af uit Juda en liet zijn licht stralen voor de volkeren die in duisternis en doodschaduw zeten (Jes. 9, 1)[b:Jes. 9, 1]. Daarom wordt Hij terecht "Lief' genoemd door haar die Hij als vrouw zocht om voor eeuwig met Hem te huwen. Want zij is een zuster van het Joodse volk.
Het is wel nodig het nut van dit door God geïnspireerde Schriftwoord door een geestelijke bezinning beter te leren kennen. Wanneer we dan luisteren naar de woorden: "Mijn Lief ging zijn tuin in", leren we het mysterie van het Evangelie kennen. Ieder van deze woorden geeft ons hieromtrent uitleg. God die in het vlees verscheen, stamde af uit Juda en liet zijn licht stralen voor de volkeren die in duisternis en doodschaduw zeten (Jes. 9, 1)[b:Jes. 9, 1]. Daarom wordt Hij terecht "Lief' genoemd door haar die Hij als vrouw zocht om voor eeuwig met Hem te huwen. Want zij is een zuster van het Joodse volk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet woord "Hij daalde af' maakt duidelijk dat, omwille van hem die van Jeruzalem naar Jericho afdaalde en in de handen van rovers viel (Lk. 10, 30-37)[b:Lk. 10, 30-37], ook de Bruidegom zelf deze weg aflegde voor hen die in de handen van hun vijanden vielen. Daardoor wordt op de afdaling van de onuitsprekelijke Grootheid naar onze nietige natuur gewezen. Door het beeld van de tuin leren we, dat de echte Tuinman ons, mensen, opnieuw beplant als zijn tuingrond. Volgens het woord van Paulus zijn we immers tuingrond (1 Kor. 3, 9)[b:1 Kor. 3, 9]. Reeds vroeger in het paradijs, verzorgde deze Tuinman het mensdom dat zijn Vader geplant had om van de woestijn opnieuw een mooie tuin te maken door haar met de planten van de deugden te versieren, toen het eenzame wilde beest de tuin kaal had gevreten en de goddelijke tuingrond bedorven had. (Ps. 80, 11)[[b:Ps. 80, 11]] Ook kanaliseerde Hij de reine en goddelijke bron van het onderricht om de planten te kunnen verzorgen. Dat kanaal is de Schrift.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe schalen met reukwerk die voorkomen in de beschrijving van de schoonheid van de Bruidegom (Hoogl. 6, 2)[b:Hoogl. 6, 2], werden in verband gebracht met de lofprijzingen van de wangen (Hoogl. 5, 13)[[b:Hoogl. 5, 13]], waardoor de geestelijke spijs verteerbaar gemaakt wordt. Hier worden ze door de Schrift gebruikt als zinnebeeld van de verblijfplaats van de Bruidegom. We leren daardoor dat de Bruidegom niet verblijft in een ziel die de deugden mist. Men moet volgens deze tekst een schaal reukwerk worden. Hij die op deze manier beker van de wijsheid wordt, ontvangt in zichzelf de goddelijke en onvermengde wijn die de vreugde is voor wie hem krijgt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe woorden die hierop volgen, leren ons in wat voor weiden de schapen van de goede Herder (Joh. 10, 11)[b:Joh. 10, 11] zich vet grazen. Want Hij brengt ze niet naar onvruchtbare plaatsen waar alleen maar doornen groeien en waar ze alleen maar iets vinden wat op gras lijkt; neen, als spijs krijgen ze welriekende kruiden uit de tuin, en als gras groeit er de lelie, die door de Herder wordt geplukt als voedsel voor de schapen. Door deze bezinning wil de Schrift ons leren dat het machtige Wezen, dat alles in Zich bevat en overal werkt, hen die rein willen zijn als zijn verblijfplaats kiest. De tuin die op verschillende manieren met deugden beplant is, staat vol bloeiende lelies en is overvloedig vruchtbaar door het voortbrengen van welriekende kruiden. De lelies zijn het zinnebeeld van een geest en een hart die stralen van reinheid. De geur van de welriekende kruiden betekent het verwijderen van iedere soort stank die de zonde voortbrengt. Daar verblijft, volgens de Bruid, de Opzichter van de kudde die met verstand begaafd is. In die tuinen laat Hij ze grazen; daar plukt Hij de lelies als voedsel voor de schapen. Zulk voedsel uit lelies bereid, heeft de grote Paulus uit de goddelijke voorraadschuur gehaald, en dit voedsel zet de Bruidegom ons dank zij Hem voor. Het bestaat uit "al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig en rein, beminnelijk en aantrekkelijk is; kortom uit al wat deugd heet en lof verdient" (Fil. 4, 8)[b:Fil. 4, 8]. Dat moet men volgens mij verstaan onder de lelies waarmee de goede Herder en Leraar zijn kudden voedt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVOOR ONS IS LEVEN: CHRISTUS
De volgende woorden die de reine, vlekkeloze Bruid uitspreekt, luiden: "Ik ben van mijn Lief en mijn Lief is van mij" (Hoogl. 6, 3)[b:Hoogl. 6, 3]. Deze woorden zijn voorschrift en bepaling van de volmaaktheid in de deugd. We vernemen hier inderdaad dat men niets mag bezitten dan God, en dat de gelouterde ziel de ogen op niets anders gericht mag houden, doch zich veeleer van iedere stoffelijke handeling en gedachte moet zuiveren, zodat zij, geheel omgevormd in het Onbegrijpelijke en Onstoffelijke, zelf tot een lichtend beeld wordt van het oerbeeld der Schoonheid.
De volgende woorden die de reine, vlekkeloze Bruid uitspreekt, luiden: "Ik ben van mijn Lief en mijn Lief is van mij" (Hoogl. 6, 3)[b:Hoogl. 6, 3]. Deze woorden zijn voorschrift en bepaling van de volmaaktheid in de deugd. We vernemen hier inderdaad dat men niets mag bezitten dan God, en dat de gelouterde ziel de ogen op niets anders gericht mag houden, doch zich veeleer van iedere stoffelijke handeling en gedachte moet zuiveren, zodat zij, geheel omgevormd in het Onbegrijpelijke en Onstoffelijke, zelf tot een lichtend beeld wordt van het oerbeeld der Schoonheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo iemand op een paneel een schilderwerk bekijkt dat nauwgezet trekken van het model weergeeft, verklaart hij dat de vorm van beiden dezelfde is. Hij zegt dat de schoonheid van de voorstelling deze van het model is en dat men duidelijk het model in zijn nabootsing herkent. Zo geeft de Bruid op dezelfde wijze te kennen dat ze in Christus werd omgevormd door zijn eigen schoonheid, de oorspronkelijke zaligheid van onze natuur, aan te trekken, als ze zegt: "Ik ben van mijn Lief en mijn Lief is van mij" (Hoogl. 6, 3)[b:Hoogl. 6, 3]. Want ze is mooi naar het beeld en de gelijkenis van de eerste, enige en ware Schoonheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEvenals een spiegel, die kunstig en op passende wijze bewerkt werd, in zich, op zijn helder oppervlak, de nauwkeurige trekken ontvangt van het gelaat dat zich voor hem bevindt, zo draagt ook de ziel, die zich op de haar passende gezindheid heeft ingesteld en elke stoffelijke smet heeft verworpen, in zichzelf de afdruk van de zuivere vorm der onveranderlijke Schoonheid (2 Kor. 3, 16)[b:2 Kor. 3, 16] Daarom bedoelt de vrije en bezielde spiegel met deze woorden:
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Omdat heel mijn spiegelvlak naar het gelaat van mijn Beminde gekeerd staat, kan men in mij de algehele schoonheid van zijn gestalte zien".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet zijn deze woorden die Paulus openlijk weergeeft als hij verzekert dat diegene die dood is voor de wereld, voor God leeft (Rom. 6, 11)[b:Rom. 6, 11], en dat alleen Christus in hem leeft (Gal. 2, 20)[b:Gal. 2, 20]. Inderdaad, als hij zegt: "Voor mij is leven Christus" (Fil. 1, 21)[b:Fil. 1, 21], verklaart hij hiermee dat in hem geen enkele menselijke en stoffelijke hartstocht meer leeft: vermaak noch verdriet, woede noch vrees, lafheid noch angst, hoogmoed noch vermetelheid, wrok noch afgunst, agressiviteit noch gierigheid, eerzucht noch ambitie, maar ook geen andere smet van de ziel, doch alleen Diegene leeft in mij, die niets van dit alles is. Want ik heb alles verwijderd wat buiten zijn natuur is, en ik bezit niets meer in mij wat niet Christus" (Fil. 1, 21)[b:Fil. 1, 21], of zoals de Bruid het zegt: "Ik ben van mijn Lief en mijn Lief is van mij" (Hoogl. 6, 3)[b:Hoogl. 6, 3], Hij die heiligheid is, zuiverheid, onvergankelijkheid, licht, waarheid en al het overige, Hij laat mijn ziel weiden, niet in velden of bossen, doch in de heerlijkheden van de heiligen; dat is inderdaad de betekenis die de aard van de lelies door de luister van hun schoonheid suggereert. Zo leidt "hij die zijn schapen weidt tussen de lelies" (Hoogl. 6, 3)[b:Hoogl. 6, 3], haar in de lelievelden, opdat "de luister van de Heer" in Hem zou zijn. Zo "is het leven voor mij dat onze God in ons zou zijn" (Ps. 90, 17)[b:Ps. 90, 17]. Diegene die eet wordt inderdaad volledig beïnvloed door de aard van hetgeen hij eet. Welk voorbeeld kunnen we geven? Laten we een holle kristallen vaas veronderstellen; alles wat men er in doet, schijnt er doorheen zoals het is, of het nu roet is of iets zuivers en schitterende. Zo maakt men de zielen stralend, als men er de stralende schoonheid van de lelie in legt, en zo schijnt de schoonheid die binnenin is, door naar buiten. Om dit nog even duidelijker te stellen: de ziel wordt gevoed door de deugden, die figuurlijk lelies worden genoemd, en hij die zich door een goed leven hiermee voedt, laat door zijn levenswijze duidelijk zien waarin iedere deugd bestaat. Ook jij moet de reine lelies bezitten van de matigheid, rechtvaardigheid, sterkte en voorzichtigheid, en van alles wat de Apostel "waar, edel, rechtvaardig en rein, beminnelijk en aantrekkelijk" noemt, "al wat deugd heet en lof verdient" (Fil. 4, 8)[b:Fil. 4, 8]. Door het reine leven wordt bewezen dat al deze deugden in de ziel aanwezig zijn; ze versieren haar bezitter en worden ook zelf mooier door hem die hen ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediahttps://beta.rkdocumenten.nl/toondocument/9794-waarheen-is-je-liefste-hooglied-6-1-3-nl